RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Geef mij God, geld en goederen, zodat ik mijn naasten van dienst kan zijn." - Maarten Luther


Exodus 4:18-31; Lucas 9:28-36

E-mailadres Afdrukken

Is het u ook opgevallen: we hebben zojuist een van de meest raadselachtige gedeelten uit de Bijbel gelezen. Ik bedoel dat stukje waarin verteld wordt dat de Heer, God dus, Mozes probeerde te doden.

Exodus 4:18-31; Lucas 9:28-36

Daarna besneed Mozes’ vrouw Sip­pora hun zoontje met een stenen mes, en week de doodsdreiging. In het vorige hoofdstuk is verteld dat Mozes als schaapherder een ontmoeting met een Engel van God had, en dat hij uit een brandende doornstruik Gods stem had gehoord. God had zich daar bekend gemaakt als “Ik ben die ik ben”, en hij had Mozes de opdracht gegeven om terug te gaan naar Egypte (waar hij was opgegroeid), om zijn volksgenoten, de Israëlieten, daaruit te bevrijden en mee te nemen naar het land dat God voor hen bestemd had. Mozes was als Israëlitische jongen opge­groeid aan het hof van de Egyptische koning, de farao, maar nadat hij in zijn verontwaardiging over de mishandeling van een Israëliet een Egyptenaar had doodgeslagen, was hij uit angst voor represailles uit Egypte weggevlucht.

Buiten Egypte, in Midian, was hij getrouwd met Sippora en hadden ze een zoon gekre­gen, Gersom. Mozes was daar als schaapherder bij zijn schoonvader, Jetro, gaan werken. Als herder had hij die wonderlijke ontmoeting bij die brandende struik, waar hij die opdracht kreeg om terug te gaan naar Egypte; want God wist dat zijn volk, Israël, in Egypte onder zware druk stond en slavenwerk moest doen, en hij wilde Mozes gebruiken om hen uit die slavernij te bevrijden. Tegen zijn schoonvader had Mozes niets gezegd over die wonderlijke ervaring en de op­dracht die hij daar bij die struik gekregen had, maar tegen hem zei hij alleen dat hij zijn volksgenoten in Egypte wilde bezoeken, en voor dat bezoek nam hij zijn vrouw en zonen mee. Kennelijk was inmiddels hun tweede zoon, Eliëzer, ook geboren.

Ze gingen op weg, en dan vertelt het boek Exodus dat, toen ze ergens overnachtten, de Heer – dat is God – Mozes probeerde te doden! Hoe hebben we het nu? Eerst wil God Mozes inzetten om zijn volk, Israël, uit Egypte te bevrij­den, en nu probeert Hij hem te doden. Wat is dit voor verbijsterende wending? Had Mozes iets verkeerd gedaan? Had hij zijn vrouw en zonen niet mee mogen nemen, bijvoorbeeld? Maar als hij iets verkeerd had gedaan, had die Engel van God, of God zelf, hem dan bij die doornstruik niet wat beter kunnen instrueren? En dan nog: wat is dit voor een God, die de man die hij had uitgekozen om zijn volk te bevrijden “zomaar” wil doden – tenminste, de reden van die aanval wordt er niet duidelijk bij verteld.

Ik zal zo direct ingaan op alle mogelijke verklaringen die in de loop der eeuwen van dit zeer korte verhaal zijn gegeven – maar eerst wil ik opmerken dat dit nu typisch zo’n gedeelte is waardoor de God van Israël bij velen in een slech­te reuk staat. Wat is dit voor een God? En dan lezen we hier ook nog dat Hijzelf ervoor zal zorgen dat de farao hardnekkig weigert om het volk Israël te laten gaan.

De koning van Egypte had kennelijk niets meer in te brengen, hij werd een speelbal in Gods handen, want God verhardde zijn hart, en daarom zou de oudste zoon van de farao sterven en kreeg Egypte al die plagen over zich heen die in het boek Exodus uitvoerig worden beschreven. – Er zijn dan ook altijd christenen geweest die meenden dat de God van het Oude Testament een ander is dan de God van het Nieuwe Testament. De God van het Oude Testament is grillig, willekeurig, jaloers en wreed, zegt men dan, en de God van het Nieuwe Testament, die door Jezus wordt verkondigd, is vol liefde en genade. En inder­daad, soms lijkt dat onderscheid op te gaan, maar het is wel een uiterst simpele en oppervlakkige onderscheiding; en de kerk heeft dat altijd een van de ergste ketterijen gevonden.

Het is ook heel gevaarlijk, zo te denken; want daarmee zeg je eigenlijk dat de God van de Joden slecht is, en de God van de christenen goed. Voor je het weet, heb je dan gezegd (of wordt dat zo opgevat) dat de Joden slecht zijn, en de christenen goed.

Dat is een wat domme manier van redeneren, maar mensen zijn niet altijd zo slim en verstandig en genuanceerd in hoe ze denken en spreken. Wat dat onderscheid tussen de zogenaamd slechte God van de Joden en de goede God van de christenen betreft, dat al gauw wordt tot een onderscheid tussen de slechte Joden en de goede christenen: we weten allemaal wat voor vreselijke gevolgen zo’n manier van denken voor de Joden in Europa heeft gehad. Vandaag de dag is er weer een ander onderscheid actueel: dat tus­sen moslims en christenen, en tussen de islam en de westerse cultuur.

Dat is een andere verhouding, en ik zal daar vanochtend verder niet  op ingaan, behalve dat ik ervan wil zeggen dat we ook hier niet in de val van de versimpeling moeten trappen. Daarvoor alleen al is het goed om naar de kerk te gaan: want daar raak je ervan doordrongen dat zo’n simpele indeling in je eigen goedheid en superio­riteit, en het kwaad of de minderwaardigheid van de ander bedrog is. Zo simpel is het niet, hoeveel mensen ook geneigd zijn dat te geloven en zich daardoor op sleeptouw laten nemen.

We gaan weer terug naar die toch wel rare passage waarin ons wordt ver­teld dat de Heer Mozes probeerde te doden. Wij zijn de eersten niet dat vreemd vinden. U weet, dit deel van de Bijbel is oorspronkelijk in het Hebreeuws ge­schreven, maar al heel lang geleden, al twee of drie eeuwen voor onze jaartel­ling, is het boek Exodus ook in het Grieks vertaald. En in die Griekse vertaling staat niet dat de Heer Mozes probeerde te doden, maar dat het een engel van de Heer was.

Dat geeft al wat meer afstand tussen God en die poging om Mozes te doden. Maar in een oude joodse navertelling van dit verhaal, ook al uit de twee­de eeuw vóór Christus, staat dat het de Satan is die Mozes probeerde te doden. Dat is nog weer wat anders! God en de duivel hebben hier stuivertje gewisseld. Zo’n verschil komen we ook in het Oude Testament zelf tegen. Aan het eind van het boek Samuel lezen we dat de Heer boos werd op Israël en dat Hij koning David op het idee bracht een volkstelling te houden – iets dat daarna nu juist heel erg fout wordt genoemd en waarvoor David vergeving moest vragen – maar in het later geschreven Bijbelboek Kronieken staat dat het de Satan was die David op het idee van een volkstelling bracht, en dat dat kwaad was in Gods ogen (2 Sam. 24; 1 Kron. 21).

In dezelfde Bijbel lezen we zo twee heel verschil­lende duidingen van dezelfde gebeurtenis: dat God zelf daar achter zat, of juist de duivel. Net zo’n verschil zien we bij dit vreemde verhaal in Exodus 4: volgens de Hebreeuwse tekst is het de Heer, God dus, die Mozes probeert te doden, maar al heel vroeg waren er Joden die meenden dat dat zo niet kon, en die de vrijmoedigheid hadden te verklaren dat het een engel of zelfs de Satan was die Mozes probeerde te doden, om zo Gods plannen tot bevrijding van Israël te dwarsbomen.

Nu denkt u misschien: “maar wat moet ik nog met zulke verhalen? Ik geloof helemaal niet in een Satan of duivel, ik heb er al moeite mee in God te geloven; waarom houden wij ons nog met zulke primitieve voorstellingen bezig? Waarom lezen we niet iets anders?” Die reactie zou ik me goed kunnen voor­stellen, maar ik nodig u uit nog even geduld te hebben. Het zal blijken dat ook zo’n lastig, vreemd verhaal misschien dichter bij ons staat dan het op het eerste gezicht lijkt.

Want wat gebeurde er nu eigenlijk? Kunnen we dat nog achterhalen? Ik doe een poging. Op hun reis van Midian naar Egypte overnachten Mozes, Sippo­ra en hun twee zoontjes ergens, waarschijnlijk in de open lucht of in een tent in het woeste landschap van de Negev. Het is donker, maar de sterren schijnen.

Ineens lijkt er iets te gebeuren, het is alsof er iets bij hen aanwezig is waar drei­ging van uitgaat. Het angstzweet breekt Mozes uit. Het boek Job (4:12-16) beschrijft een soortgelijke ervaring: “Een verholen stem drong tot mij door, mijn oor ving een fluisteren op, in de verontrustende visioenen van de nacht, die de mensen dompelt in een diepe slaap. Opeens werd ik door angst gegrepen, een siddering voer door mijn gebeente. Een adem (of: geest) streek langs mijn ge­zicht en de haren rezen mij te berge. Een verschijning doemde op, een gestalte voor mijn ogen.” We kunnen ook denken aan Jakob die in de nacht vóór de ontmoeting met zijn broer Esau, na jaren afwezigheid, vocht met een onbekende man – een engel, schrijft de profeet Hosea (11:5; Genesis 32:24). – Ook moderne mensen hebben ’s nachts in de wilde natuur wel eens de ervaring van hun eigen kleinheid en kwetsbaarheid en van een onbeschrijfelijke aanwezigheid van – ja van wat? Van God? Van “het mysterie”? Er zijn geen woorden voor, maar mensen hebben er de eeuwen door toch heel verschillende woorden aan gegeven – zoals God, of Heer, of een geest. Het zijn altijd mensen die hun ervaringen benoemen, dat kan niet anders, en in de Bijbel en in de Bijbelse traditie zien we al dat die verklaringen uiteen kunnen lopen, zelfs van God, de Heer, tot de duivel.

Volgens het boek Exodus wist Sippora wat er aan de hand was. Mozes’ leven werd bedreigd omdat een van hun zonen niet besneden was. Volgens latere joodse uitleggers was Gersom niet besneden, omdat Sippora’s vader Jetro dat had verhinderd. Mozes was een vreemdeling in Midian, hij was ingetrouwd en geïntegreerd in de stam van Jetro en had zich aangepast en geaccepteerd dat Gersom niet op de achtste dag besneden  werd, maar ongetwijfeld had Mozes aan Sippora verteld hoe die besnijdenis sinds zijn voorvader Abraham in zijn volk werd toegepast; later was Eliëzer, hun tweede zoon, dan ook wel besneden, volgens die oude joodse uitleg.

Sippora meende dus te begrijpen wat er aan de hand was: die geestverschijning waar Mozes het zo benauwd van kreeg zodat hij in doodsnood verkeerde, die had macht over hem omdat hij niet had voldaan aan het gebod van zijn God: zijn oudste zoon te besnijden. Sippora trad krachtdadig op, besneed Gersom met een scherpe steen, raakte met het afgesneden stukje huid Mozes’ benen aan – daarmee zijn stellig zijn geslachtsdelen bedoeld – en de dreiging week, want de besnijdenis was voltrokken en er had bloed gevloeid; en bloed, dat dééd iets met geesten, met goden en met mensen, want dat had een afwerend, verlossend, bevrijdend, verzoenend effect, zo geloofde men algemeen. Mijn “bloedbruidegom” noemde Sippora haar man – ook al weer zo raadselachtig.

Onder de eerste christenen werd wel deze uitleg aan dit verhaal gegeven: die engel die Mozes bedreigde was een kwade engel, en die had macht over de Joden die niet besneden waren. Maar waren zij wel besneden, dan had die engel niets meer over hen te zeggen. Een van de oude kerkvaders voegt daaraan toen dat die engel zijn macht kon uitoefenen totdat Jezus was gekomen en op de achtste dag besneden werd.

Toen was de macht van die kwade engel gebroken, want de Zoon van God had zich laten besnijden. En anderen zagen natuurlijk het verband tussen het verlossende bloed van die besnijdenis van Gersom en het verlossende bloed van Christus, het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt. Christenen waren zeer vindingrijk in het toeëigenen van het Oude Testament om duidelijk te maken dat het Oude en het Nieuwe Testament één groot verhaal vormen, één grote geschiedenis waarin alle mensen zijn opgenomen, een heilsgeschiedenis.

Al die verhalen en al die geloofsvoorstellingen staan misschien ver van ons af, maar er zijn in onze eigen omgeving toch genoeg mensen die ermee leven. Marokkanen die de oorzaak van hun ziekte of hun depressie zien in een djinn, een boze geest die hen plaagt, en dan is het maar verstandig als een arts of psychiater daar rekening mee houdt. Er zijn ook christenen die allerlei kwade invloeden toeschrijven aan boze machten, en die getuigen dat het gebed daar­tegen soms wonderwel werkt. Ook in allerlei hedendaagse religiositeit (je kunt het New Age noemen) wordt wel uitgegaan van geesten en machten die negatief op mensen inwerken en die je op een liefdevolle manier kunt wegsturen.

Ik wil nu niet beweren dat het allemaal bewezen is dat het zo werkt in – wat je kunt noemen – “de geestelijke wereld”, maar het is nog steeds zo dat wij soms voor raadsels staan, verbijsterd zijn, doodsbenauwd worden, of depressief  – en dan zoek je naar woorden. Dat is altijd stamelen, of je nu God zegt, of de Heer, of Jezus, of Maria, of een engel, of een boze geest. Zelfs in de Bijbel kunnen de benamingen sterk uiteenlopen. Wanneer mensen voor een mysterie staan, wanneer ze iets meema­ken dat hun verstand te boven gaat, dan weten ze meestal niet wat ze moeten zeggen en vrezen ze voor hun leven.

Zo verging het Jesaja toen hij in de tempel God had gezien. Zo verging het ook Petrus toen hij op die berg Jezus in een stralende glans (alsof hij al uit de dood was opgestaan) met die twee mannen zag staan praten, onder meer over zijn levenseinde. “Laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia”, zei Petrus toen, en de evangelie­schrijver voegt er dan aan toen: “hij wist niet wat hij zei”. Ziet u trouwens dat er een merkwaardig contrast tussen onze twee lezingen voor deze zondag is? Mozes hoefde die nacht in de woestijn niet te sterven want er vloeide bloed voor hem, maar Jezus wist dat hij de dood niet kon ontwijken.

Waarom lezen wij zulke verhalen, uit de oude geschiedenis van Israël, over een bedoeïenengezinnetje dat op reis is naar Egypte, en onderweg, ’s nachts, ineens doodsbang wordt, en over een joodse timmerman die meer dan 1000 jaar later op een berg in stralend witte kleren met diezelfde Mozes en met de profeet Elia staat te praten over zijn naderende levenseinde? – Al die verha­len dienen ertoe dat wij gevoelig blijven voor het mysterie dat ons altijd weer zal ontsnappen, maar dat er wel toe doet. De Bijbel geeft daar taal aan, met een enorme breedte en ruimte en onderlinge variatie, en het effect van het leven met die verhalen is dat we steeds weer met dat onuitsprekelijke mysterie worden geconfronteerd en er open voor blijven staan.

We lezen dit verhaal uit Exodus vijf weken voor Pasen, want Exodus vertelt verderop van Israëls Pesach ofwel Pasen, zijn bevrijding uit Egypte, en zo ook wijst dat verhaal van Jezus’ verheerlijking op de berg vooruit naar zijn dood én opstanding, die plaatsvonden tijdens het Paasfeest. Dat zijn ook al weer van die verbijsterende gebeurtenissen, waarbij je alleen maar kunt stamelen, naar woorden zoeken – of zingen – maar hoe dan ook gaat het wel om iets heel wezenlijks, het heeft te maken met God en met het menselijk tekort (“zonde”) en met vergeving en een nieuw begin.

Dat alles houdt ons gevoelig voor dat myste­rie dat ons altijd zal ontsnappen, maar dat ons blijft confronteren met de vraag: waar sta jij, wat zeg jij hierop, wat doe jij ermee? Wie zich ervan afwendt, loopt een goede kans achter de verkeerde mensen en machten aan te gaan (“afgoden” heten ze in de Bijbel). Wie zich richt op dat grote verhaal van de Bijbel, wie Mozes en de profeten voor ogen houdt en net als zijn eerste leerlingen luistert naar Jezus, Gods uitverkoren Zoon, die laat zich door niets of niemand intimide­ren en weet zich zelf opge­nomen in die grote geschiedenis die God met ons aangaat.

Amen.

Riemer Roukema