RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"

Ons leven is een leven midden in de dood. En toch blijft ook midden in de dood de hoop op het leven aanwezig.

" - Maarten Luther


Hoe komt de mens tot zijn recht?

E-mailadres Afdrukken

Hoe komt de mens tot zijn recht?

 

Daar is van alles over te zeggen. Vanuit het gezichtspunt van de mensenrechten, die aan elk mens de waardigheid toekent te leven zonder dwang en geweld, in vrijheid van overtuigingen en geloof. In onze moderne beleving kunnen we bijna niet meer vorstellen hoe je nu geen rekening met zulke rechten kunt houden.

Je kunt er ook over naar kijken vanuit politiek-maatschappelijke opvattingen. Over links of over rechts of  over het midden. Dan bepaal je een hele maatschappij-opvatting op basis van een verhaal over hoe een mens het best tot zijn recht komt. Bijvoorbeeld door alle nadruk te leggen op de zelfontplooiing bij een zo groot mogelijke vrijheid, of, door bovenal te denken vanuit de solidariteit en mensen vooral een bestaanszekerheid te willen garanderen.

Je kunt er ook vanuit het geloof over denken. Christelijk gezien kunnen wij dan zeggen, dat, wij als mensen tot ons recht komen door te vertrouwen op God, die in Christus zijn liefde heeft getoond, die sterker is dan alles wat mensen van het leven kan afhouden. Daarbij leggen we het zwaartepunt van het leven van de mensen en van hun samenleven niet bij de mensen, maar bij God. Waar God tot zijn recht komt, komt de mens tot zijn of haar recht. Waar Gods wil geschiedt, daar is het leven goed. Daar kan de mens ook geloven, dat het goed is dat hij of zij er is.

 

Zo wordt het ons vandaag toegezegd door de Bijbelse verhalen, in alle toonaarden.

Vandaag, is het zondag Judica, de zondag met een naam als een smeekbede, een noodkreet: doe mij recht! In de oude vertaling ook: voer mijn rechtsgeding!

We hebben die noodkreet vandaag gezongen in de woorden van psalm 43 en daar komt de naam judica, doe mij recht ook vandaan. Maar het is een kreet waarvoor wij de bijbel niet eens hoeven open te slaan. Hij klinkt overal om ons heen en misschien ook wel in ons zelf. want hoe we ook gewend zijn aan mensenrechten, die rechten worden overal ter wereld nog overal getreden. Overal klinken de noodkreten op.

 

Psalm 43 verwoordt de nood van mensen. Uit deze psalm spreekt een gevoel van benauwdheid, waaruit geen andere uitweg bestaat dan het uit te roepen naar God. Alleen God kan helpen, want alleen God is werkelijk rechtvaardig. Alleen God kan tegenwicht bieden aan wat wij in ons leven als machten en krachten ervaren. En God heeft als enige het recht om de wereld te oordelen, want Hij heeft de wereld immers geschapen?

 

In de lezingen die wij lazen vinden wij een zelfde oriëntatie op God, om aan hem over te laten hoe wij werkelijk tot ons recht komen.

 

Zo roept Mozes het volk op tot vertrouwen op God als het, net bevrijd uit de slavernij, toch weer ingehaald dreigt te worden door de legers van de farao en zich al begraven ziet onder het woestijnzand. Het volk schreeuwt zijn nood nog wel uit tot God. Maar Mózes bijten de mensen toe, dat ze liever slaaf waren gebleven, dan te sterven in de woestijn.

Mozes raakt er niet door van de wijs. “De Heer zal voor u strijden, u hoeft zelf niets te doen.

 

En zo gaat het. God draagt Mozes op zijn arm en zijn staf over zee uit te strekken en zo geschiedt het prachtige verhaal: God baant het volk een weg door de zee, waarlangs zij veilig aan de overkant komen. Achter hen wordt de aartsvijand verzwolgen in de golven… Zo geschiedt wat God ziet als het recht van zijn volk, van de mensen: niet het leven in de onvrijheid is leven, nee, een leven met deze God, die borg staat voor de vrijheid, hoe oncomfortabel ook, dat is leven!

 

Bij Johannes horen wij dat Jezus zich ook aan God overgeeft, net als Mozes dat doet.

Middenin een twistgesprek, verdedigt hij tegen zijn uitdagers, die hem uitschelden voor Samaritaan - een bastaardjood - en bezetene. Hij zegt daar:

Ik ben niet bezeten . Ik eer mijn Vader, maar u eert mij niet. Ik ben niet uit op mijn eigen eer;  iemand anders is uit op mijn eer en hij zal oordelen. Waarachtig, ik verzeker u: als iemand mijn woord bewaart, zal hij de dood nooit zien.

 

Het is niet vreemd, denk ik, dat hij de Joden met wie hij hier al in de clinch ligt, hiermee nog meer tegen zich in het harnas jaagt.

Uit heel zijn houding, uit al zijn woorden spreekt zijn overtuiging, dat Hij van God komt.

 

Johannes bedrijft hier wat je noemt hoge christologie. Hij wil duidelijk maken dat Jezus op zo’n manier één met God is, dat hij niet kán zondigen door grootheidswaanzin: hij is immers een van wil met de Vader. Zijn eer is de eer van God en andersom. Impliciet is hier de overtuiging van Johannes aan de orde, dat Jezus Gods Zoon is. Dat is óns wel duidelijk, al zal het ook op ons te hoog en te vreemd kunnen overkomen, maar de omstanders is het niet duidelijk. Zij hebben hun oordeel over Jezus al klaar: een godslasteraar. Zij rapen de stenen al van de grond…

 

Over Jezus blijft echter een kalmte die ik alleen maar kan verklaren uit zijn geloofsvertrouwen in God, dat het duidelijkst spreekt uit die woorden: “Ik ben niet uit op mijn eigen eer, iemand anders is uit op mijn eer en hij zal oordelen.

Blijkbaar was er in Jezus zo’n diep vertrouwen in God, dat hij niet twijfelde aan de weg die hij moest gaan, ook al leek die lijnrecht in te gaan tegen wat zijn tegenspelers hier opwerpen. Hij wist dat hij God niet lasterde, met zijn grenzeloos vertrouwen in God.

 

Als wij ons losmaken van dat twistgesprek tussen Jezus en sommigen van zijn volksgenoten, dan kunnen wij er dít misschien uithalen, voor een voorlopig antwoord op de vraag hoe wij tot ons recht komen. Wij hoeven ons eigen bestaansrecht niet steeds te verdedigen, onszelf niet te rechtvaardigen, zoals wij wel steeds doen, in het leven, of wij nu denken vanuit het ontplooiingsmodel of het verzorgingsmodel.

Gelovig mogen wij zeggen, dat ons bestaansrecht er ís en niet bewezen hoeft te worden. God heeft het ons gegeven en in Christus heeft hij het voor eens en voor altijd bevestigd. Wat wij moeten doen is er vol vertrouwen uit proberen te leven en daarbij op God leren te vertrouwen, die ons in de vrijheid wil zien gaan, door de woestijn heen, bevrijd en gesterkt. Dat geloofsvertrouwen zal vaak genoeg wankelen. Dat vertrouwen moeten we hoog houden, in een wereld waarin de noodkreten vaak worden gesmoord door het lawaai van de grote monden, de grote ego’s, de voordringers, de volken die zich met geweld en macht doen gelden. We moeten het steeds overwinnen op ons eigen ongeloof, op ons lage zelfbeeld, op onze twijfel hoe wij nu tot ons recht zullen komen. Dan is het goed om te weten, dat het God zelf is, die ons tot ons recht doet komen. Hij gaat voor ons uit.

 

Erwin de Fouw