RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God is dan het dichtst nabij als Hij het verste weg schijnt te zijn." - Maarten Luther


Verkondiging van zondag 17 juli 2011

E-mailadres Afdrukken

Preek

Het is gemakkelijk om te doemdenken. Je kunt naar de wereld kijken en concluderen: de wereld is slecht en er deugt niets van, nadat je de krant hebt gelezen, het tv-journaal hebt gezien, op op internet voortdurend op de hoogte blijft van ver en nabij leed dat mensen elkaar aandenken. Doemdenkers hebben vaak het gelijk aan hun kant. Dat wil zeggen: als je vooral naar de dingen kijkt, die inderdaad slecht zijn en verkeerd gaan.

Nu zou je daar het in principe sympatieke ‘positief denken’ tegenover kunnen zetten: doe nou niet zo negatief, kijk eens naar alles dat mooi is, zie nou eens wat er allemaal wél goed gaat. De wereld is mooi, als je het maar wil zien. Aldus de boodschap van de positivo’s. Ook een mogelijkheid, en het lijkt een sympathieke,ware het niet dat het nuchtere realisme hier ver te zoeken lijkt. Want hoe mooi de wereld ook is, dan betekent niet dat de ellende er bij in het niet valt?

Rest ons de gulden middenweg: Er is weliswaar veel kwaad, maar er is ook veel goeds en dat maakt het leven toch de moeite waard, daarvoor moeten we het willen doen. “Maak er samen het beste van en dan valt hier op aarde best te leven.” Zoiets. Ik denk dat wij, vanuit ons zelf snel geneigd zijn tot dat laatste. Begrijpelijk, vanuit onze eigen algemene westerse situatie: levend in een land en een tijd waarin de meeste grote ellende van oorlogen en natuurrampen zich meestal elders bevinden. Natuurlijk maken wij in ons leven ook veel mee, ook verdrietige dingen, maar zelfs die zijn relatief menswaardiger  te dragen in een situatie als de onze dan in een land als Somalië, waar naast oorlog en honger ook de broodnodige zorg ontbreekt. Deze zienswijze, nuchter en realistisch als ze is, kan heel goed aanzetten tot hulp aan anderen, hoeft zeker niet egoïstich uit te pakken. Ze paart realisme aan een gezonde leifde voor het leven en vergeet daarbij ook niet de mensen die het minder hebben getroffen.

Dat lijkt de gulden middenweg en ik denk dat we er vaak op uitkomen. Maar het Evangelie houdt ons een andere wijze van kijken naar de wereld voor.

Jezus vertelt de gelijkenis over het goede zaad dat wordt gezaaid en over een vijand die raaigras zaait, terwijl de mensen slapen, zodat tarwe en raaigras tegelijkertijd opkomen. Het goede zaad is het evangelie van het koninkrijk, de blijde boodschap, dus. Dat andere plantje is ‘raaigras’, inde vertaling van Oussoren en de NBV houdt het op algemene ‘onkruid’. Waarschijnlijk gaat het om Dolik, een giftige plant die ook dolle tarwe genoemd wordt: hij lijkt verraderlijk op tarwe, maar is het niet en je moet dus ontzettend goed uitkijken dat het een niet met het ander wordt verwisseld of door elkaar wordt gehusseld, zeker niet als het graan wordt gemalen tot meel waar brood van wordt gebakken.

Omdat je bij Dolik niet meteen ziet wat er mis is, is het een goed beeld voor het kwaad dat zich ontwikkelt onder de mensen. Ook dat is niet altijd meteen te herkennen. We zien niet altijd meteen wat er misgaat of kunnen er niet meteen wat tegen doen, al zouden we het willen. Zelfs als je vooraf al ziet dat het mis zal gaan, is het niet altijd te voorkomen.

Hoe laat Jezus ons nu naar de wereld kijken?

Hij laat ons naar de wereld kijken met Gods ogen. Hij kijkt voorbij aan wat er is, goed of kwaad. Zoals in bijna al zijn gelijkenissen, gaat het bij Jezus niet om de wereld zonder meer, de wereld zoals die hier en nu is, zoals die is. Zijn gelijkenissen handelen over het Koninkrijk van de hemel, of het Koninkrijk van God. Daarmee leidt hij onze blik meteen verder dan het hier en het nu, voorbij aan de menselijke normen. Jezus vertelt zijn gelijkenissen  met het oog op de wereld zoals God die voor zich ziet en wil dat die wordt. Hij ziet in alles wat is wat het worden kan en worden zal, als het aan God ligt. ‘Koninkrijk’ is dan ook iets actiefs, van God uit gezien. Het is in de evangeliën ook te vertalen als ‘koningschap’. Het gaat om de wijze waarop God de wereld leidt, in handen heeft. Dat is voor ons een mysterie, soms een bitter raadsel, waaruit al onze ‘waarom?’ vragen  voortkomen: waarom zoveel leed, waarom al die rampspoed die mensen treft, waarom doen mensen elkaar allerlei rottigheid aan, waarom, waarom, waarom...

Als Jezus zelf zijn gelijkenis uitlegt aan zijn leerlingen, wordt het er voor onze huidige oren waarschijnlijk niet veel duidelijker op. Of misschien kan ik beter zeggen: het wordt op zo’n manier duidelijk, dat wij er maar weinig meer mee kunnen. Een duivel, kinderen van de boze, geween en knarsen van tanden. Hoe antiek en vreemd klinkt dat velen van ons in de oren...  Het klinkt voor velen van ons ook onbarmhartig en simplistisch. Zó geloven we het toch niet meer, denk ik dan.

Maar zelfs wat de omstanders van Jezus betreft, is het maar de vraag of het wel ging om dat beeld van het eindgericht. Ligt de nadruk wel waar wij hem, als modern denkende mensen leggen: namelijk daar waar wij het meeste moeite hebben?

Tegen de achtergrond van de rabbijnse leerhuiscultuur waar de gelijkenissen van Jezus thuishoren, is het beeld van het eindgericht niet bedoeld om mensen lam te slaan met dreigende taal, maar juist om hen aan het denken te zetten, niet om bij dat denken te blijven steken in een strenge dogmatiek, maar om hen tot het juiste handelen te bewegen.

Als we dan teruggaan naar de gelijkenis, gaat het dus om meer om de toekómst van de wereld dan om de toestánd van de werreld. Hoewel hij spreekt over een eindoordeel, is Jezus geen donderpreker die mensen bang maakt, maar een prediker die mensen, ook ons, doet nadenken over wat er nu eigenlijk toekomst heeft bij God. Wat God betreft, is dat het goede, alles dat de menselijkheid dient, dat God eert. Zolang de mensengeschiedenis duurt, zal er zowel goed als kwaad zijn, ook in ons, maar God geeft het, dat het goede graan rijpt tot de oogst. Het vele kwaad dat er is, heeft niet het laatste woord. Het goede is eerder gezaaid, het heeft diepere wortels, het geeft vollere vruchten en het zal uiteindelijk beklijven. De wereld wordt eens helemaal nieuw, boodschapt ons het Evangelie. Tot het zover is, geeft God ons de tijd. Wij bestaan in Gods geduld. Wij krijgen de tijd om te geloven in een zinvol bestaan, een wereld waarin het wat uitmaakt of je de menselijkheid dient of je je neerlegt bij de heerschappij van de onmenselijkheid of erger, of je eraan meedoet. Het heeft zin, na te denken wat goed is en wat niet. Het heeft zin, bij rabbi Jezus, bij Christus, te leren over de koninklijke weg, de weg die weet heeft van Gods koningschap. Uiteindelijk zal het goede de overhand krijgen, al zien wij dat niet. Uiteindelijk komt het goed. Ooit zal er alleen maar goede aarde zijn. Tot het zover is spaart God het kwaad omwille van het goede. Wij bestaan in Gods geduld. De wereld zal worden wat God wil, een herschapen tuin.