RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Oorlog is de grootste plaag die de mensheid teistert. Het vernietigt religie, het vernietigt staten, het vernietigt families." -

Maarten Luther




De preek van zondag 9 oktober 2011

E-mailadres Afdrukken

‘Een afschrikwekkend evangelie’.

Zo noemde Luther de gelijkenis over de koning en het bruiloftsmaal voor zijn zoon die wij vandaag hoorden. Hij had er dan ook moeite mee erover te preken. Afschrikwekkend vanwege het harde oordeel van de koning over de gasten die weigerden te komen en die zelfs de dienaren ombrachten die de uitnodiging kwamen herhalen en afschrikwekkend vanwege het lot van die ene man, die geen feestkleed aangetrokken had. Afschrikwekkend kortom, omdat het Evangelie, de blijde boodschap, door deze aspecten, van zijn blijheid verstoken blijft en vooral de indruk wekt een oordeelstekst te zijn. Luther las het stuk als een grote aanklacht tegen de menselijke weigering om Gods bevrijdende Woord te horen en ernaar te leven. In het evangelie zag hij Gods uitnodiging tot het hemelse Rijk. En voor Luther is dat hemelse rijk niet alleen maar veraf in de hemel te vinden bij God, maar ook heel dichtbij, overal waar het evangelie wordt verkondigd, waar mensen bij Christus worden gebracht en toegang krijgen tot het heil door Woord en Sacrament. Met andere woorden, Luther ziet het zo, dat wij eigenlijk alleen genodigd zijn tot Gods heil, tot het grote feest van een toekomst, een leven met God. Als het aan God ligt, is iedereen daar welkom. Waar het dus op aankomt, is, hoe wij met die uitnodiging omgaan.

Inderdaad is deze tekst alleen vanuit die uitnodiging die tot drie maal toe klinkt, te verstaan als blijde boodschap. Alles lijkt te stokken, als je alle nadruk legt op die straf voor de moordenaars en hun stad die in de as wordt gelegd en op het buitengooien van die ene man die geen feestkleed aangetrokken heeft. Als we daarbij blijven stilstaan, dan doemt God voor ons op als de oordelende en de straffende en raakt hij volkomen op de achtergrond als degen die Hij in de eerste plaats is en wil zijn: de uitnodigende, de Heer die op zijn berg een maaltijd aanricht voor alle volken, met uitgelezen gerechten en belegen wijnen, zoals Jesaja het visioen schildert.

Ik geloof dat Jezus deze gelijkenis uitspreekt als een waarschuwing. Een waarschuwing met de bedoeling het niet op een oordeel van God aan te laten komen. Jezus brengt die waarschuwende boodschap in de vorm van een allegorie, dat wil zeggen, een verhaal dat vertelt wordt met elementen uit het leven van nu, -nou ja, van tóen -, die verwijzen naar een geestelijk bedoelde betekenis. Die koning verwijst naar God, de zoon verwijst naar Christus, die wil huwen, dat wil zeggen één wil zijn met de menselijke  gemeenschap die in hem gelooft – zijn bruid dus. En de genodigden, tja, daar wordt het moeilijk, want wie zijn dat nu?

Vaak is gezegd ‘Israel’, dat steeds opnieuw profeten naar zich toe gestuurd krijgt van Godswege, maar even vaak weigerde te luisteren. Dat is vooral gezegd in tijden dat de kerk anti-joods dacht en dat is helaas lang zo geweest. En het is niet te ontkennen dat hier ook gedacht wordt aan de godsdienstige leiders en de elite van het toenmalige Joodse volk, dat vast zit in de zucht naar ‘houden wat je hebt, als het moet dan maar met behulp van de Romeinen’.  Maar dat zijn niet de Joden zonder meer. Het staat meer in de contekst van de aanzienlijken versus de onaanzienlijken. En dan blijkt eigen macht, bezit en status een obstakel. Maar hoe bestaat het dat je niet komt, als je genodigd bent... Zeker volgens de etiquette van die tijd kon dat niet. Wie voor een feest werd uitgenodigd, kwam. Je uitnodiging verschafte je niet alleen een toegangsrecht, eigenlijk was het ook een plicht om mee te vieren.

Maar het feest moet gevierd. Zo ernstig meent de koning het. Zo ernstig neemt God zijn koninkrijk.

Dus nogmaals een uitnodiging en als dat niet helpt en als de boodschappers zelfs worden vermoord, dan wordt de uitnodiging ruimer en breder. En zodra de dienaren de toegangswegen opgaan, ontmoeten zij ook daar het volk Israel, maar dan in zijn onaanzienlijke vorm van ‘schare’: de grote groep van armen, de mensen die moeten sappelen en die hunkeren naar gerechtigheid. In het evangelie is ‘de schare’ de groep op wie Jezus verkondiging zich richt, terwijl zij voor zovele anderen niet meetelt. De schare komt wel, verheugd met hun kans dit feest te vieren. Iedereen, goed of slecht, is welkom. Maar ook hier geldt: schik je naar de regels van het feest. Draag je feestkleed. Voeg je naar het leven met een uitnodiging. Als je op dat feest bent, laat dan ook in je gedrag zien dat je meedoet, dat je je laat meevoeren door de vreugde van het feest. Ga niet aan de kant staan, alsof het jou niet aangaat met je gemompelde: “ze nemen me maar zoals ik ben”. Je mág er ook zijn zoals je bent, maar wel als je feestelijke, door God boven het alledaagse uitgetilde zelf.

We staan eigenlijk allemaal in de schoenen van de genodigden en van de feestvierders. De kerk is het koninkrijk vande hemel nog niet in zijn volkomenheid, maar wel al in de betekenis van: een ruimte van ontmoeting met God, van vreugdevol vieren dat God ons nodigt en bij ons wil zijn. Wij zijn hier op uitnodiging.  Wij komen om hier Gods liefde te vieren.

Wat dat betreft is geloven niet vrijblijvend. De uitnodiging geldt ons allen. Het geloof, dat ons doet ingaan op die uitnodging van god, maakt ons mensen die graag het leven vieren voor Gods aangezicht. Niet dat het leven alleen maar leuk is, of een groot feest. Maar dat is een feest in bijbelse zin nooit: het is een samengaan van vreugde en ernst om het leven. Het is je genodigd weten door God, die zijn gaven bijeenbrengt voor wie ze wil aanvaarden voor wat ze zij: tekenen van zijn liefde voor mensen, bedoeld om eindeloos gedeeld en verder gedragen te worden.  Helemaal volmaakt zullen we dat feest in deze wereld nooit vieren. De menselijke onvolkomenheid maakt dat onmogelijk. Maar als teken is dat feest er hier en nu al, in onze liturgie en in het leven met het geloof dat God ons geeft.

Laten we dan vooral ook zo proberen te leven. Laten we bij wijze van spreken altijd feestkleding dragen, klaar staan voor het feest. Laten we proberen uit te dragen en uit te stralen dat God liefde is en liefde geeft aan alle mensen. Laten we dat doen ondanks alle gesomber over een krimpende kerk en twijfel aan onszelf. De Heer wil zijn liefde voor mensen vieren. Dat feest is al begonnen en wij mogen het vieren. En van hoe wij leven mag een uitnodiging uitgaan.