RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Er is geen mens zo slecht, dat hij ook niet een beetje goedheid bezit." - Maarten Luther


Overdenking Oogstdienst 06-11-2011

E-mailadres Afdrukken

In de oogstdienst uiten wij onze dank om de goede vruchten van deze aarde, die God ons heeft gegeven. Aan de oogst is mensenwerk voorafgegaan, zeker, maar uiteindelijk belijden wij dat het Gods werk is waaraan wij te danken hebben dat er een overvloed is, waarvan wij leven.

Mensen die dichter bij de natuur leven dan de meesten van ons zullen die afhankelijkheid veel directer ervaren. En dus ook de dankbaarheid. Daarom is het des te beter om ook in deze moderne tijd, waarin voedselproductie bijna geheel gemechaniseerd  is geworden, stil te staan bij onze verwondering om de goede gaven van God. De oogstdienst houden we er

En in deze oogstdienst lazen wij de gelijkenis van de talenten.

Het zal u wel bekend zijn dat aan de gelijkenis van Jezus die wij hoorden  de uitdrukking: “woekeren met je talenten” ontleend is. Wij krijgen talenten niet voor niets, wij moeten er wat mee doen. We moeten ermee woekeren. Dat is in het gewone spraakgebruik zoiets geworden als: je best doen met de gaven die je gekregen hebt, met wat jij allemaal kan.

Dat klinkt als een wijze, hoewel overbekende  les, die we er samen uit kunnen trekken: stop je talenten niet weg, maar zet ze in tot het algemeen nut. Dan heb je er zelf , maar meer nog, dan hebben ook anderen er profijt van.

Dat is natuurlijk waar. Pas als je je talenten ontplooit, door oefening en door hard werken, door discipline, komen ze tot hun recht. Tot dan toe zijn het zaadjes, die liggen te wachten op vruchbare bodem waarin ze kunnen ontkiemen.

Maar hoe waar dat ook is, het is níet de betekenis van deze gelijkenis. Want het gaat Jezus helemaal niet om het ontplooien van ónze talenten. Het gaat om woekeren met Góds talenten.  De talenten zijn als het ware aandelen in de schat van God: zíjn liefde en onferming, zíjn genade, álle goeds, dat van God komt. Het gaat bij de gelijkenis van de talenten helemaal niet om menselijk kunnen, maar om een gebeuren dat van God komt. Hij maakt de wereld nieuw en hij zet daarbij ons als mensen in. Maar het blijft zíjnbezit, het blijven zijn talenten, het blijft Gods werk, waarom het gaat. Het hoort bij de talenten, bij die aandelen in Gods schat, die aandelen in Gods ontferming, dat ze vermeerderd worden. Zo houdt hij de wereld in handen. Zo zijn staan talenten dus symbool voor de werkzaamheid van Gods bezit, zijn kapitaal, als  het ware, om het nu toch maar eens in financiële termen uit te drukken.

Want die man die op reis ging en zijn dienaren bij zich riep om ze het geld dat hij bezat in beheer te geven, die geeft zijn dienaren zíjn talenten mee. Die man staat voor God. In die drie mannen mogen wij onszelf, de mensheid zien. Dat begint bij Israël, de proeftuin van God, daar begint God altijd: 

vijf is het getal van de Torah - vijf boeken van Mozes  - en twee is het getal van Torah en de profeten. Dat wordt allemaal als Gods talenten meegekregen. Daarmee moet gewoekerd worden: dat is Gods gave aan hen en via Israel moeten die talenten, Wet en profetendus, de wereld over. Dat kun je niet voor jezelf houden. Het moet gedeeld, vermeerderd worden. De inhoud van die Tenach is immers Gods ontferming over de héle wereld, niet maar over een volk. Het gaat daarin om zijn bedoelingen met de aarde, die woest en ledig was - ís? -, maar waarover God zijn levengevende adem uitspreekt door Zijn woord. Wie daardoor beademd en aangeraakt wordt, die doet er wat mee, die leeft ermee, die woekert ermee. Wij worden ingezet: dat kan eigenlijk niet anders. Zo werkt Gods schat.

En die derde man, met dat ene talent, wie is dat? Hij woekert niet met het talent dat hij kreeg. Hij zet het niet in. Hij begraaft het. Te bang voor de man die op reis ging en terug zal komen en rekenschap zal vragen. Hij is niet alleen bang dat er iets kwijt zal raken. Het is veel erger: hij wil helemaal niet dat er iets van terecht komt. Hij frustreert de werking van het talent, van dat aandeel in Gods schat, dat uit zichzelf op vermeerdering is gericht. Ik ga ervan uit dat Matteus met dat ene talent de messias, Christus bedoelt. Dat ene talent heeft al het goede in zich: hij is vervulling van heel de Wet en de profeten. Door vanuit Christus te leven, komt Gods schat iedereen ten goede. Maar Christus roept weerstand op. Hij wordt gedood en begraven. Wij moeten er wel op letten dat dit de laatste gelijkenis is van Jezus voordat de aanloop tot zijn lijden wordt ingezet.  Maar ook dit ene talent, Christus, juist Christus, is bedoeld gedeeld te worden. Hij is een woord dat gesproken moet worden en brood dat gedeeld moet worden. Hij is een en al ontferming. Hij wordt ook vermeerderd: hij is opgestaan uit de dood. In Christus wordt Gods kijk op de wereld geheel en al onthuld:  de wereld wordt nieuw. De dood ligt achter ons. Dat wil ook zeggen: het denken van hebben en houden heeft afgedaan. De blikrichting van het evangelie van  Gods Rijk is op het leven gericht. Wij hoeven niet langer achterom, naar de dood, te kijken. Zoals Christus getuigde van God ontferming, ja, Gods ontferming ís, zo zal het verder gaan. Zo naar het leven, naar de wereld te kijken, met de ogen van Gods ontferming, dat heeft toekomst.

Zo moeten we ook kijken naar wat gezegd wordt over de afrekening met de man die niet gewoekerd heeft en over geween en tandengeknars. Harde woorden. Daarmee wordt gezegd, dat degene die niet woekert met met Gods ontferming er blijkbaar geen deel aan wil hebben. Dan houdt het op. Dan stokt de beweging van de ontferming . Dat te bedenken en tot de ontdekking te komen, dat je aan die beweging van Gods ontferming geen deel hebt willen hebben, lijkt de straf die hier bedoeld is. Maar ons hele leven blijft God ons aanspreken om daaraan wél deel te nemen.

Zo worden wij toch ingeschakeld. Wat we wzelf kunnen, wat we doen, is wel degelijk van belang. Wij hebben eigen talenten, mogelijkheden en we mogen ermee woekeren. Dat mogen we ook best zo benoemen. Als we daarbij maar beseffen, dat ze niet ons eigen kunnen  belichamen, maar mogen worden ingezet als aandelen in Gods eigen ontferming voor alle mensen. Ons grootste talent is Christus. Laten wij hem dan ook niet begraven. Laten we hem in ons laten leven en zo Gods liefde de ruimte geven.