RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Zelfs als ik wist dat morgen de wereld zou vergaan, zou ik toch mijn appelboom planten." - Maarten Luther


De preek van zondag 27 november 2011 (1e advent)

E-mailadres Afdrukken

Preek zondag 27 november 2011 

‘Zijn we op de goede weg?’, vroeg de wijze zich daarnet af, in haar gesprek met de kinderen.Een essentiele vraag, als een emns aan het zoeken is. Stel, je gaat helemaal de verekeerde kant uit. Dan vind je immers nooit wat je zoekt.

Eerst moet je op de geode weg zijn. Uiteindelijk kom je er dan wel. 

Het beeld van de weg is al zo vaak gebruikt als een metafoor voor ons menselijk leven en juist ook voor het leven met het geloof, dat het moeilijk is om daar nog iets zinnigs over te zeggen.  

Maar juist met Advent moet het er weer over gaan. Zeker nu wij lezen volgens het oude Lutherse leesrooster, met Jesaja en de intocht van Jezus in Jeruzalem.  

Dat is misschien wel een beetje vreemd, dat wij dit verhaal nu ook lezen, aan het begin van Advent. Het valt voor ons gevoel alleen samen met palmzondag, waardoor er, hoe dan ook, de schaduw van het lijden overheen valt.

Maar in het oude rooms-katholiek leestrooster, het Karolingische leesrooster (afkomstig uit de tijd van keizer Karel de Grote), waaraan de lutheranen en ook de anglicanen hebben vastgehouden wordt het verhaal van de intocht in Jeruzalem twee keer gelezen.

Nu, met Advent, valt des te duidelijker  de koninklijke gestalte van Jezus op. Matteüs predikt hem als degene die komt in de naam van de Heer. Niet alleen als de onbegrepene, de lijdende knecht, die met zijn opgang naar Jeruzalem onder ogen ziet wat gebeuren gaat, maar ook als een koning. Een koning op een ezel, een dienende koning, dat wel. De ezel en zeker het ezelsveulen is een lastdier, nooit een dier dat ingezet kan worden in de oorlog, zoals het paard vaak tot strijdros werd. 

Maar toch een koning. Dat we daarmee de Advent beginnen wil ook zeggen: hoe zijn weg ook zal gaan, dit is de weg die God wil. Zo wil God zijn rijk stichten. Door een die voorgaat in het dienen, niet een die komt om ons te leren hoe wij moeten heersen. Heerszucht kent de wereld uit zichzelf immers wel. Het enige dat deze koning in handen heeft enw aarde wereld nieuw door wordt, is dat hij zelf dient en zo leert dienen. 

Het is Jesaja die het meeste reliëf geeft aan  het beeld van die weg voor het geloof. 

“Hoor, een stem roept: ‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God…’.

Het volk van God wordt opgeroepen om een weg te banen voor God zelf.

Het wordt gemaand ruimte te maken voor God.

Want God wil komen.

In hun midden.

In hun leven.

Laat daarom alles effen worden, want God mag niets in de weg worden gelegd.

Het verrassende is hier, dat het niet God is, die zichzelf een weg baant. Nee, de ménsen moeten het doen.

 

Jesaja twijfelt er niet aan, dat God wil komen, dat hij temidden van de mensen wil wonen.

Dat profeteert hij: God komt!

God komt om te troosten, om op te bouwen, om te wonen onder de mensen.

 

Maar het zijn de mensen die zich daarop moeten voorbereiden. Zij moeten voor de HEER een weg bereiden. De mensen, die zichzelf vergelijken met verdord gras en verwelkte bloemen zijn versleten aan de ballingschap en die de oude verwachtingen over een God-met-ons naar de achtergrond hebben gedrongen. Best troostvol, maar als alles tegenzit, heb je er toch maar weinig aan.

Maar juist die mensen wordt verkondigd: jullie slavernij is voorbij: baan nu een weg voor God, want hij wil bij jullie zijn. Nieuwe moed, nieuw vertrouwen, waarop een neiuwe maatschappij gebouwd kan worden.

 

Zo is de eeuwen door geprofeteerd en geloofd, dat God komen zal.

Dat God komt, is een zaak van Gód. Dat zal gebeuren. Dat valt op een hoopvolle manier buiten onze invloedsfeer. Maar dat God komt, betekent ook, dat God ontvangen wil worden.

God wekt bij ons het verlangen op.

Verlangen is niet maar een wens, vroom of niet.

Verlangen is sterker dan dat.

Het is het uitzien naar het moment, ooit, dat alles nieuw zal worden. Het is geloof.

God geeft ons dat geloof.

Hij vraagt ons om in ons leven, in de wereld, onbegaanbaar door alle ruigten en oneffenheden, een wildernis,  plaats te maken voor Zijn komst. Om een weg voor hem te banen

Mensen kunnen allerlei wegen gaan. Wegen, die ons ergens heen leiden en wegen die doodlopen. Waarheen ons leven gaat, dat weten wij vaak niet van te voren.

Maar wij mogen erin geloven, dat God op onze levensweg op ons toe-komt.

“Hij komt met kracht.. Zijn beloning gaat voor hem uit, zijn loon heeft hij bij zich”

Dat is de boodschap van Advent, van Kerstmis: God komt op ons toe. Er is toekomst voor de wereld bij God. God wil bij ons wonen. Dat valt ons toe, dat is Gods zaak. Dat gebeurt uit genade, uit liefde, om niet. Wij leven van genade.

Maar wij kunnen wel werken aan de weg, waarlangs wij hem verwachten.

Geloven is er rekening mee houden, dat God komt in ons leven en dat Hij alles anders, alles nieuw maakt. Dat is in alle tijden moeilijk geweest. In onze tijd misschien vooral, omdat wij er met ons verstand niet bij kunnen, dat God komt. Als God komt, waarom verandert er dan hier en nu zo weinig? Waarom alle oorlogen, de vele vormen van onrecht, de dood van mensen die sterven voordat zij kunnen zeggen: het was goed zo, ik kan gaan? Vragen, die ons ook aan het einde van het kerkelijk jaar bezighielden.

God komt. Hij komt in de gestalte van zijn messias, de koningsgestalte op de ezel, de dienende knecht.

Maar dat is geen zwaktebod. Wij hoeven niet te wanhopen aan Gods toekomst voor de wereld, niet aan Gods komst. Die is in Gods hand. “Ziehier de Heer, de Eeuwige. Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen”.

Maria zal die verwachtig, die door Jesaja wordt verkondigd, krachtig bijvallen in haar lied, dat zij zingt bij haar ontmoeting met Elizabeth:

“Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien.”

In Christus mogen wij het vast en zeker geloven: God komt. Hij ís al gekomen en hij zál komen. En hij wil komen op ónze weg, in de realiteit van déze wereld, van ónze levens, van de levens vooral, van hen die naar de maatstaven van de heersers niet meetellen.

Dat is iets, om naar toe te leven.

Met hart en handen.

Met ons eigen levensweg.

Dat is verrassend concreet.

Wij kunnen werken aan de weg voor God.

In hoe wij onze levensweg gaan, kunnen wij onze dank aan God laten zien.

Laat ons dan samen werken aan de weg voor God.

Zo komen wij nog dichter bij God, die op ons toe komt.