RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God schrijft het evangelie niet in de bijbel alleen. Ook op bomen en in de bloemen en wolken en sterren." - Maarten Luther


De Preek van zondag 4 december 2011

E-mailadres Afdrukken

De lezingen van vandaag uit het Luthers leesrooster barsten bijna uit elkaar van alle verwachting en hoop. En alles sluit aan bij wat daarover in de Schriften, dat wil zeggen, de boeken van het Eerste Testament, is gezegd. Daarom vandaag een preek die vooral ingaat op de Jesajalezing.

 

Jesaja stelt ons voor ogen hoe God op een beslissend moment, zijn dag, de dag van de Heer, Sion als hoofdstad aan de wereld  zal openbaren. Een stad niet louter voor het volk dat zich altijd al door God bemind wist, Israel, maar voor alle volken. Een stad als beeld voor een nieuwe werkelijkheid, kortom.

En terwijl de volken optrekken naar die stad, om zich te voegen bij Israel, worden de wapens omgesmolten tot landbouwwerktuigen. De mensheid, zegt Jesaja, zal in de leer gaan bij God en geen mens zal meer weten wat oorlog is. Een prachtig beeld. De berg Sion steekt boven alles uit. Dat wil zeggen: Gods bedoelingen van recht en gerechtigheid zullen eens volkomen duidelijk. Zo duidelijk, dat het de hele wereld aantrekt en overtuigt van Gods wil. Vrede voor allen, samenleven als één mensheid. Zo moet het zijn. Zo zal het zijn.

 

Jesaja vraagt zich ook af, hoe dat gebeuren moet. Zo is hij in hoofdstuk 1 begonnen en zo gaat hij vanaf vers 6 in hoofdstuk 2 verder: daar komen naast verwachtingsvolle beelden de beelden van oordeel op. Hij is er niet zomaar, die dag, dat moment, dat de vrede aanbreekt. Eerst moet er heel wat weggeruimd en schoongemaakt worden, zegt Jesaja.

 

Daar wordt het voor ons duister. Met de mensen van toen, zijn raadgevers en leiders, horen wij niet graag de woorden van kritiek, van oordeel. Ze slaan ons lam, ze doen ons twijfelen, ze doen ons wanhopen aan Gods liefde en trouw. Wat bedoeld is als de nieuwe dag zet zich dan in onze hoofden vast als een dag des oordeels.

 

Is dat nu een boodschap voor Advent, hoor ik u denken. Moeten we zo naar Kerstmis toeleven? We hadden die zondagen van de voleinding toch achter ons?

 

Maar het een staat in verband met het ander. Advent spreekt over een overgang van de oude wereld naar de nieuwe. Toch is het niet de bedoeling, juist niet, van dit soort teksten, van deze visioenen, om ons onze hoop af te nemen. Ze zijn er niet om de hoop te smoren, maar juist om de hoop van een krachtig uitroepteken te voorzien, om ons te doen geloven dat zo’n wereld van vrede en recht mogelijk is, ja dat zij er komt, omdat God het wil.

Daarom valt hier alle nadruk juist op de verzen die wij lazen en die eindigen met: “Nakomelingen van Jakob, kom mee, laten wij leven in het licht van de Heer.”

Dát is het beeld dat we moeten vasthouden. Van daaruit bezien wij alles wat ook gezegd wordt en gezegd moet worden. Ook de afkeuring die moet worden uitgesproken over alle misbruik door de leiders, de oudsten en vorsten van het volk en die God doet uitroepen, bij monde van zijn profeet, in Jesaja 3, v. 15:

“Hoe durven jullie mijn volk te vertrappen en de armen zo zwaar te mishandelen?”

 

Gods oordeel over het kwaad in de wereld, over alles dat mensen elkaar aandoen, over alles waardoor machtigen machtelozen nog verder kleineren, dat oordeel is gerechtvaardigd. Dat komt God toe en niet de mens. Maar het is God niet om het oordelen te doen. Uiteindelijk gaat het om wat daaruit tevoorschijn zal komen, om licht uit duisternis, om leven, opstanding uit dood. God spreekt zijn levende Woord uit. Gods schept met zijn Woord uit wat verloren lijkt een nieuwe werkelijkheid, een nieuwe wereld. Daarvan getuigt ook de evangelist Johannes in wat wij op Eerste Kerstdag zullen lezen.

 

Wat Jesaja ons hier zegt, wat Paulus in de Romeinenbrief zegt en Lucas aan Jezuswoorden doorgeeft, dat wil ons hoop en geloof geven. Zo hoort het geloof in ons uit te werken: dat wij altijd daarheen kijken, waar het licht vandaan komt. Ook als alles duister is - en dat is vaak -, wendt het geloof ons gelaat naar het licht.

 

Jesaja zet dat stevig aan als een visioen van vrede, als een droom, die hij anderen voorhoudt te dromen. Wij hebben zo’n visioen nodig, ook nu. Want de wereld zou aan hopeloosheid ten onder kunnen gaan en aan de houding van: na ons de zondvloed.

 

Maar geloven betekent, ook nu, in een westerse wereld die ontdaan lijkt van godsgeloof en van geloof in de realiteit van wat niet direct te zien of te ervaren is, in een kerk die maar leiner en kleiner wordt,

geloven betekent; zien met de ogen van de hoop. Waar een kale tak alleen doodsheid lijkt te laten zien, is voor de ogen van het geloof meer te zien.

 

In alle realiteit waarin wij leven, de werkelijkheid van egoisme en individualisme, van populisme en van ultraliberalisme, van machthebbers die koste wat kost willen aanblijven, bij alles dat wij vandaag de dag beleven zou je alleen maar in de duisternis kunnen blijven staren. Maar we kunnen ook zien met de ogen van het geloof en uitzien - soms turend! - naar het licht. En dat nu is wat het evangelie ons preekt, waar het dan ook uit opklinkt, bij Jesaja, bij Lucas of in de Romeinenbrief.

 

Daar wordt de wereld - en in ieder geval onze belevingswereld - misschien wat minder bang en benauwend van. Dan kunnen we, al is het als kleine groep van christenen, een alternatief spoor gaan - een weg - door het leven, terwijl we ons beslist niet van de wereld afsluiten of afkeren. We kiezen er dan voor verder te kijken dan vanuit de beperktheid van wat hier en nu de heersende meningen zijn: de mentaliteit van eigen volk eerst en van het de mensen in hun angsten en kortzichtige ideeen naar de mond praten. Dan hopen we voorbij aan de afkalving van de solidariteit tussen bevolkingsgroepen in landen als het onze en tussen de volken van Europa en geven we ons niet meer zonder slag of stoot gewonnen aan de afgoderij van het ultraliberale denken in economie en maatschappij. Dan houden we moed en proberen we ons in te zetten voor datgene waar het ons om moet gaan: een toekomst van vrede en recht. Dat is Gods toekomst. En die kán vanuit onze waarneming bezien niet anders dan klein en nauwelijks waarneembaar beginnen. Als een vijgenboom, die op uitlopen staat en waaraan je kunt zien dat de zomer in aantocht is, zegt Jezus.

 

Laten we leven als mensen van Advent: mensen die geloven in de mogelijkheid van een betere wereld en erop vertrouwen dat het wat uitmaakt dat we uitkijken naar de toekomst van God.