RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Zorg, dat ik niet alleen kan bidden met de mond. Help mij dat ik kan bidden uit het diepst van mijn hart." - Maarten Luther


De Preek van zondag 22 januari 2012

E-mailadres Afdrukken

Het evangelie van vandaag spreekt over de roeping van de eerste leerlingen.

Als Jezus langs het meer van Galilea loopt en twee vissers hun netten ziet uitwerpen,  de twee broers Simon en Andreas, zegt hij tegen hen: “Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.”

Hij valt wat je noemt, met de deur in huis. Hij overrompelt hen met wat je geen vraag meer kan noemen. Het is een opdracht, een bevel, kun je ook zeggen.

Net zo prompt als Jezus’ bevel is de reactie van de twee. Meteen lieten ze hun netten achter en volgden hem. En even later herhaalt zich dat met de broers Jakobus en Johannes.

Op de roeping door Jezus volgt onmiddellijke navolging.  Marcus wil ermee zeggen: er is geen tijd te verliezen. De roeping van de eerste leerlingen, de manier waarop dat gaat, past geheel en al bij de aard van Jezus’prediking: “De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws”.

De tijd is aangebroken. Het evangelie, het goede nieuws is dus, dat het de hoogste tijd is voor Gods rijk, voor Gods koningschap.

Er is iets bijzonders met het woord ‘tijd’’ in de bijbel, vooral in het Tweede Testament en vooral in de evangelieën. Je hebt de tijd, die verloopt, laten we zeggen, als het zand door een zandloper. Dat is tijd, die maar doorgaat, die wegglijdt. Naar ons gevoel vaak ongemerkt en bijna doelloos. “Waar blijft de tijd”, zeggen we daarvan met een zucht als we kinderen zien opgroeien, als we terugblikken op onze eigen levensloop, met een blik over oude foto’s of als we met onze partner op de bank constateren dat we weer een jaar met elkaar hebben samengeleefd. En dat zijn de mooie ervaringen , die in deze opvatting van tijd passen. Maar tijd kan ook vol zijn van ervaringen die ronduit ramzalig zijn. 2011, zat er naar ons besef vol mee. En misschien is het wel nooit anders geweest.

Zo’n benadering van tijd noemt het bijbelse Grieks ‘chronos’: alle gebeurtenissen moeten een vermelding krijgen. Het woord chronos heeft een ondertoon van: ‘onveranderlijk’, en ‘zo zal het altijd wel gaan en zo zal het blijven’. Tijd die duurt en duurt. Duizenden, ja vele miljoenen jaren. In ons woord chronisch klinkt het nog na.

Dat klinkt eigenlijk niet erg mooi, chronisch. Het klinkt naar ziekte. Het maakt moedeloos. Ook nu kunnen wij de tijd beleven als een last, waarin wij het leven beleven. Depressieve mensen beleven de tijd zo, als een voortdurende stroom die niet ophouidt en waarin ze zich verzwolgen voelen. En de manier waarop de westerse wereld de tijd gebruikt om haar doelen na te jagen is er weliswaar een van grote haast en alsof de dood ons op de hielen zit, zoveel doelen moeten er gehaald worden, maar als je goed kijkt naar wat er dan allemaal gerealiseerd moet worden is er weinig bij, dat er echt toe doet, dat duurzaam is, dat uitstijgt boven het belang van hier en nu.

Hooguit kunnen we bij alle ellende die mensen meemaken wel zeggen, dat de tijd alle wonden heelt.

Maar dat is niet de tijd waarover het evangelie vandaag spreekt. Het evangelie zegt: ‘de tijd is aangebroken’. Tegenover die vormloze maar overvolle tijd zet het evangelie de kairos, de tijd als een beslissend moment, als een tijdgewricht, dat als het ware een scharnierpunt vormt waarin Gods tijd onze tijd, de wereldtijd, de chronos, raakt. Dat is de tijd waarvan we kunnen zeggen: ‘het is de hoogste tijd’. Het beslissende moment is gekomen. Dat betekent: let op, nu gaat het gebeuren. De tijd zoals in “het geschiedde in die dagen”. Dat is Gods tijd. God neemt de tijd in handen.

“De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws”.

Tegen de achtergrond van preking zegt Jezus tot de vissers:

“Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.”

Er is immers geen tijd te verliezen? Gods tijd is aangebroken. Gods rijk is nabij. En deze mensen worden uitgenodigd daarvan deel uit te maken. Alsof hen hier de kans wordt geboden, uit de tijd te stappen. Uit de tijd, de chronos, zoals die verglijdt met hard werken en zwoegen, met opgaan, blinken en verzinken. En daarvoor in de plaats mogen ze in Gods tijd stappen, als in een bijna parallelle tijd.

Vandaar dat onmiddellijke. Ze weten meteen wat hen te doen staat. Ze weten vanaf nu, dat ze deel hebben aan het beslissende moment van het aanbreken van Gods Rijk. Zo worden vissers tot vissers van mensen. We moeten daarbij proberen los te laten, dat we volle netten met kronkelende mensenlijven voor ons zien, zoals vissen met honderden in netten naar boven worden gehaald, happend naar lucht. Hier gaat het om opgevist worden tot bevrijding. Want de zee was voor het antieke jodendom inde eerste plats een benauwende massa water. Zo bezien lijkt mij hier ook de zee een beeld van de tijd, de chronos. De onbestemde wereldtijd die mensen en volken en geschiedenissen verzwelgt. Maar de mensenvissers zullen deel uitmaken van de beweging van het heil, die hen als met een net wegvangt en redt uit wat hen klein houdt, onderdrukt, gevangen houdt in tegenstellingen en conflicten. Zo redt het evangelie en zo redt ons het koningschap van God, dat Christus ons predikt.

Als we ons daardoor laten gezeggen, zoals Simon, Andreas, Jakobus en Johannes, dan worden we navolgers. Jezus volgen is niet in de eerste plaats zélf handelen, zelf wat doen. Het is eerst en vooral je laten overrompelen door de liefde van God die in Hem duidelijk wordt. Het is aangesproken worden door de blijde boodschap die rein maakt, geneest, vergeeft en dus...bevrijdt. En van daaruit komen wij tot ons eigen menselijke handelen, met het oog op het rijk.

Maar hoe moet je dat dan doen? Hoe ziet dat eruit? De kerk is wel voorgesteld als een schip  dat de enige kans tot redding biedt. “Buiten de kerk geen enkel heil”, werd of wordt dan gezegd.  Maar dan maken we het instituut kerk en onze eigen visies op wat waar is te belangrijk. Zo bekrompen moeten we maar niet meer denken.

Marcus leert ons dat het Jezus juist geheel en al gaat om Góds handelen, dat alle mensen aangaat en bevrijdt en dat ons erbij inschakelt om die boodschap verder te dragen. Maar dat mag vooral gebeuren met een groot vertrouwen op Gods eigen werk.