RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God is dan het dichtst nabij als Hij het verste weg schijnt te zijn." - Maarten Luther


De preek van zondag 11 maart Oculi

E-mailadres Afdrukken

Alweer zes weken houden wij ons bezig met Ezechiël. Of moet ik zeggen: worstelen we met Ezechiël? Het is immers zware kost. Ezechiël zelf mag de boekrol met klaagliederen, gezucht en weegeroep dan als honing zo zoet hebben gesmaakt, ons is alleen al het luisteren ernaar een moeilijke opgave. Het is vooral moeilijk, omdat het een boek is, dat ook ons nu nog confronteert met een kant van God die wij op het eerste gehoor niet te rijmen vinden met zijn liefde, namelijk zijn woede, zijn toorn. Woede over het kwaad, Gods hartstochtelijke afkeer van onrecht en van de menselijke afwijzing van wat hij aan recht en gerechtigheid te leren geeft in zijn Tora.

Misschien moeten wij net als de kinderen wel een geloofsbril opzetten, als wij lezen in een boek als Ezechiël, ja, in alle boeken uit de bijbel. Wij kunnen geen van die boeken op zichzelf staand, geïsoleerd lezen. Als we dat wel doen, dan gaat het mis: we zien alleen nog maar het duister van het oordeel, of we lezen in sommige boeken een verhaal waar de mens het op eigen kracht lijkt te kunnen. We moeten al die boeken in verband zien met elkaar en wij hebben een leeswijzer nodig, die ons dat diepe verband laat zien. In de kerk, zeker naar luthers verstaan, vinden wij die leeswijzer in Christus, de levende gestalte van Gods liefde. Hij maakt ons volop duidelijk dat God liefde is en dat alles wat hij doet, daaruit voortkomt. Het evangelie van Christus wijst naar Gods rijk, dat evenzeer als heel de Tenach een toekomst van recht en gerechtigheid is. Om die toekomst gaat het ook bij Ezechiël, al zien wij dat niet uit onszelf. De naam van deze zondag kan ons erbij helpen, dat wel te zien: ‘oculi’, ogen. We moeten in het oog houden, dat het God gaat, om recht en gerechtigheid, uit liefde voor mensen en zijn hele schepping. Dat hele boek Ezechiël gaat er immers over dat wij dat volledig uit het oog kunnen verliezen en waar dat toe leidt. We worden ofwel hopeloos en voelen ons alleen maar slachtoffer van alles wat gebeurt, zonder zelf nog verantwoordelijkheid te nemen. Of we worden helemaal gegrepen door alles dat ons veel aantrekkelijker schijnt dan wat God aan toekomst geeft. Zo is het misgegaanmet het Israël, dat in ballingschap werd gevoerd naar Babel. Het wilde een volk als alle anderen zijn. Een volk met een meer goden, meer macht, rijkdom en roem. Meer, meer, meer. En Ezechiëls opdracht is, zijn volk ervan te doordringen dat dat allemaal pure afgoderij is. Want op zo’n manier zoeken naar meer is blind materialisme. Dan kom je uit bij alles wat Babel vertegenwoordigt: de stad van de succescijfers, van een toren die als de bomen de hemel in moet groeien, maar die al het andere in zijn schaduw stelt, de menselijkheid nog het allermeest. Zo bezien is Babel ook nu nog overal om ons heen. Het geeft alles en iedereen in de wereld een prijs, maar kent van niets de echte waarde, de warde door God gegeven. Maar er is hoop. Er komen dochters en zonen vanuit het gevallen Jeruzalem. “Ze zullen u troost geven wanneer ge hun weg en hun werken zult zien”, zegt Ezechiël. Ik zie dat zo: Gods gerechtigheid valt na te volgen, is te doen. God maakt ons immer tot rechtvaardige mensen? Niet uit eigen kracht, enkel door zijn genade. Dat te geloven, biedt altijd weer perspectief. Het geeft altijd nieuwe hoop om voort te gaan, ook vanuitde puinhopen van deze wereld. Er is nog een lange weg te gaan. Maar er is toekomst. Het duurt tot aan Pasen om te vernemen over de opstanding. Maar aan de horizon gloort bij Ezechiël en in heel deze hopeloze wereld, een nieuw Jeruzalem, een stad waar stromen van levend water vanonder de dorpel van de nieuwe tempel zullen stromen en de mensen weer met elkaar samen zullen wonen. Gods glorie zal er te zien zijn in de poort, zijn stem zal klinken als het stemgeluid van vele wateren. Volhouden dus, in de woestijn.