RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Mooie muziek is de kunst van de profeten. Het kan onze ziel rustig maken. Muziek is een van de meest prachtige en heerlijke cadeau's die God ons heeft gegeven." - Maarten Luther


De preek van zondag Laetare

E-mailadres Afdrukken

Vandaag lezen wij in Ezechiël een fabel, een parabel, een gelijkenis.

Een gelijkenis die weer deel uitmaakt van een raadsel, dat God Ezechiël opdraagt te vertellen aan het volk Israël in ballingschap. Heel hoofdstuk 17 beslaat die parabel, haar oplossing en dan weer een parabel. In net weer andere bewoordingen dan in de teksten hiervoor wil hoofdstuk 17 iets vertellen over hoe het misgegaan is met het bijbelse volk Israël en waarom het kon gebeuren dat het in ballingschap moest.

Opnieuw zitten we midden in de politieke verhoudingen van rond 600 voor Christus.

In wat aan onze tekst voorafgaat wordt het grote Babylon vergeleken met een adelaar, dat het kleine koninkirjk Juda in zijn greep heeft. Eerst voert koning Nebukadnessar de elite van Juda naar Babel, inclusief de Judese koning Jojakin. Vervolgens laat Nebukadnessar Zedekia een eed zweren, waardoor hij vazal wordt en een soort nietszeggend koninkrijkje mag behouden met Jeruzalem als hoofdstad. Volgens God, zo zegt Ezechiël, zou Israël die eed ondanks alles trouw moeten blijven.  Zedekia heeft die eed namelijk moeten zweren bij zijn eigen God en daarmee zit hij eraan vast.Maar het liep anders: Zedekia zocht steun bij een andere adelaar, de farao van Egypte, om zo steun te krijgen tegen het grote Babel. En daarmee wekt de koning met zijn ministaatje volgens deze profetie niet alleen de woede van Babel, maar ook die van God op. Ze probeert de gerechtvaardigde straf voor eerdere ontrouw te ontlopen. Moraal van het verrhaal: hoogmoed komt voor de val en de beker der gramschap moet tot de laatste slok worden leeggedronken. Verzet tegen Babel wordt hier gezien als verraad aan God zelf.

Dit wordt alemaal verteld in beeldtaal, met adelaars die een twijgje uit de top van een ceder nemen of een zaailing van een wijnstok. Daarna wordt het uitgelegd.

In het stuk dat wij lazen, gaat het opnieuw over een twijgje dat uit de top van een hoge ceder wordt genomen en dat op een hoge berg wordt geplant, waarna het uitgroeit tot een hoge ceder die beschutting biedt aan vele vogels.

Nu is het beeld niet meer cynisch. Het is een beeld vol hoop geworden.

Want nu gaat het om waarom het ook vorige week ging: de rest die zal terugkeren en het land van belofte weer zal opbouwen. Een klein twijgje, inderdaad, dat hard zal moeten werken en met weinig tevreden zal moeten zijn, maar met Gods hulp zal het lukken om weer te worden van het ten diepste bedoeld is te zij: volk van God te zijn.

Maar voordat uit een klein takje een prachtige ceder zal groeien, moet er eerst een hoge boom wprden geveld. Je bent geneigd te denken: dat zal dan wel Babel wezen. Dat heeft het volk, dat deze hoopvolle boodschap kreeg, misschien ook nog wel even gedacht: uiteindelijk straft God die gweldenaars en zal hij zijn volk weer een land en een naam geven. Maar zo gaat het niet. Ja, God zal zijn volk weer een naam en een gebied geven in Israël, als volk tussen de volken, maar eerst moet het onder ogen moeten zien dat het zélf die hoge boom heeft willen worden, die in deze tekst zo radicaal geveld wordt. Dat het zélf te veel heeft willen meedingen naar roem en heeft willen meedoen met de grote jongens, de volken rondom zoals Babel en Egypte. Dat het er geen probleem in zag, dat hiervoor nodig was dat het daarmee de kerknwaarden van zijn geloof met voeten meost treden: recht en gerechtigheid zoeken, de Tora betrachten, leven vanuit de blije overtuiging dat het genoeg is je bemind te weten door je God. De God die mensen uitleidt uit angst, uit onderdrukking, uit slavernij. Een God die je leert dat menselijke grootheid niet gezocht moet worden in het eronder houden van andere volken of van mensen uit je eigen volk. Israël moet helemaal niet mee willen doen, als dat betekent dat het daarmee net zo erg wordt als de grootmachten eromheen.

Als we overstappen vanuit de boodschap van Ezechiël toen naar de betekenis voor ons nu, zit daarin volgens mij de sleutel. Want die neiging van een volk, van een elite, bestuurlijk of cultureel, om altijd meer te willen en desnoods, of meteen al ten koste van heel veel anderen, die is van alle tijden en zeker ook die van nu. Ze zit zelfs in de kerk. Daar is de reformatie om begonnen, daar was het Luther om te doen: dat het evangelie geen blijde boodschap meer was, geestelijke kracht voor iedereen, maar verworden was tot een ding, dat verhandeld kon worden en tot machtsmiddel werd in handen van  zogenaamde 'geestelijken' over leken, waarmee mensne bang gemakat moesten worden omdat hen werd aangepraat dat geloofsvertrouwen in God hetzelfde was als trouw aan de kerk. Die neiging, meer te willen zijn, mee te willen doen, mee te tellen, liefst nog wat meer, zit in ons allemaal en het meest nog is ze de motor geworden van onze huidige economie en van onze maatschappijvisie. Hoeveel hoge bomen moeten niet geveld worden, voordat we leren dat God ons juist in onze kleinheid, onze kwetsbaarhied ziet, kent en bemint. Waarom hebben we  er toch zo'n moeite mee om te erkennen, dat we ons juist voor God niet groot hoeven houden, nee niet groot kunnen houden. Eigenlijk komt alles wat Ezechiël zegt ook weer terug in ons evangelieverhaal, waarin Jezus eindeloos uitdeelt van dat kleine beetje gerstebrood en vis. Vijf broden en twee vissen zijn voldoende. Het evangelie is voldoende om een heel volk, een hele kerk, een hele wereld geestelijk te voeden.

Ook in de kerk van onze dagen moeten we steeds weer leren dat onze enige schat het heilig evangelie is, waaruit oneindig te putten valt, omdat het ons leert dat voor God elk mens telt, en dat ook wij op niemand mogen neerzien en andersom, dat een mens niet meer waard wordt door een hogere opleiding, meer sociale status  of een hoger salaris of een salaris versus een uitkering. Het evangelie leert ons zien wat werkelijk van waarde is: liefde en de kans die God ons geeft opnieuw te beginnen. In de ogen van wat we in deze wereld belangrijk vinden lijkt dat klein, maar het is grandioos. Je kunt er eindeloos van delen.

Deze tijd is een moeilijke tijd, voor de kerk. Niet zozeer omdat we klein en marginaal aan het worden zijn. Dat is wel zo, maar het is niet zo erg. Het is moeilijk, omdat wij, ook als PKN, hoe klein we ook zijn geworden, toch groot willen zijn en denken. Soms met de beste bedoelingen, dat zie ik ook wel in. Maar soms ook gewoon, omdat we teveel denken aan voortbestaan op de wijze zoals ook een bedrijf wil voortbestaan.

Laten we niet wanhopen, ook al worden we nog marginaler dan we al zijn. Ook ons wil God als een plantje laten groeien en inzetten, om zijn rijk te bouwen. Een rijk dat niet van deze wereld is. Het gaat er niet om macht, maar het gaat er om, dat iedereen, de kleinste voorop, tot haar recht zal komen. Op de manier die God goeddunkt. Dat zal hij laten gebeuren, wij kunnen daarnaar toeleven door er in ons bestaan, met elkaar als gemeente, met elkaar als kerk, als christen in de wereld samen met anderen  iets van waar te maken.