RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Onze naaste is ieder mens, in het bijzonder die onze hulp nodig heeft." - Maarten Luther


De preek van Palmzondag

E-mailadres Afdrukken

 Johannes vertelt het verhaal van Jezus' intocht in Jeruzalem anders dan Marcus, Matteüs en lucas. Die drie anderen laten de scene van de intocht volgen door de tempelreiniging: Jezus ergert zich zo aan de vermarkting van de tempel, dat hij betaaltafels omsmijt en woedend uithaalt naar de geldwisselaars. Een gepassioneerd beeld. Johannes vertelt het wel, maar al vrijwel aan het begin van zijn evangelie, als Jezus voor het eerst Pesach viert met zijn leerlingen.

Johannes vertelt het verhaal van de intocht in Jeruzalem dus anders dan de andere evangelisten, zoals hij zijn hele evangelieverhaal anders vertelt. Hij vertelt zijn evangelie vanuit het geloof in de verhoging van Jezus.

Eigenlijk vertelt hij dit verhaal verrassend sober. Het beeld dat hij van Jezus tekent is van een man, die bijna sereen plaatsneemt op een ezel. Alsof het een troonsbestijging is. Een koninklijke gestalte, die onthaald wordt door de mensen die hem vanuit de stad tegemoet zijn komen lopen omdat ze gehoord hebben dat Jezus ook komt om het paasfeest te vieren.

De mensen nemen de uit psalm 118, in de mond, als ze hem tegemoet lopen:

"Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël".

Wij kennen die regel vooral door de rol die hij speelt in dit intochtsverhaal. Het 'hosanna' klinkt als 'hoera', of minstens 'halleuja', tegen de achtergrond van de  mensen die hem onthalen. Maar eigenlijk is het een hulproep, verwant aan het Kyrie eleison. Een roep vanuit het vertrouwen dat God ook werkelijk zal helpen. Het betekent ongeveer 'Heer, help toch'. In hun hosannageroep klinkt dus een gebed op naar God.

Zal Jezus zich door die hulproep aangesproken hebben gevoeld? Ik geloof het wel. Misschien, dat de mensen ireëele verwachtingen van hem hebben, die hij niet wil waarmaken, dat is waar. Maar bij hem moeten die welkomstwoorden heel psalm118 hebben opgehaald.

Nu hij opnieuw naar Jeruzalem gaat, om in de tempel zich voor te bereiden op het Pesachfeest, draagt hij die psalm in zijn hart mee en ligt hij hem als het ware zélf op de lippen. De poorten die hij voor zich ziet, zij de poorten van de gerechtigheid. Hij weet, dat God met hem is, Hij weet, dat zijn gang niet louter zinloos lijden is, die leidt naar de dood, zijn dood aan het kruis. Hij weet ook, diep van binnen, dat God hem uitredding zal geven. Als een soort geloofsbelijdensi klinkt in hem dat vers uit psalm 118, dat wij ook vorige week ophaalden: "Ik zal niet sterven, maar leven en de daden van de Heer verhalen."' En het volgende vers: "De Heer heeft mij gestraft, maar niet prijsgegeven aan de dood."

Bij Johannes is van meet af aan al duidelijker waar het heen gaat met Jezus, dan bij de andere evangelisten: het gaat met hem naar het leven, richting de opstanding. Weliswaar door de dood heen, evenzeer de dood van het kruis als bij de anderen. Daar kan hij niet omheen. Daar niemand omheen, om dat kruis. We komen het allemaal ergens tegen,  in ons leven, in de wereld. In onrecht dat mensen wordt aangedaan, in verdriet, in rouw, in ziekte waarvan wij niet genezen. Anders dan Jezus het tegenkwam en op zich nam om het te dragen. Maar toch, het is er. Ook Johannes overschreeuwt het niet.

Maar, ons christelijk geloof in God die ons Jezus gaf om de weg van alle mensen te gaan is geen verheerlijking van het lijden. We hebben geen martelaarsgeloof, waarin lijden per definitie een zin heeft en de dood centraal staat.

Het gáát om het leven en het gaat náár het leven. Daarom, laat ons dicht Christus blijven, omdat wij aan hem zien, dat wij niet bij de dood hoeven te blijven. Als wij hem volgen, in geloof, is dat uiteindelijk een weg naar het leven, ook terwijl wij weten dat wij het leven hier op aarde vroeg of laat moeten loslaten.

Ook Jezus moet loslaten. Hij geeft zichzelf uit handen. Eerst aan de mensen, die hem doden. Maar uiteindelijk geeft hij zich daarmee uit handen aan God, bij wie het leven is.

Zo durft hij op de ezel de stad in te gaan. Wetend wat hem te wachten staat. Wetend, dat er, ondanks pijn en dood, leven is bij God.

"Waarachtig, ik verzeker u, als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht."