RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Er is geen mens zo slecht, dat hij ook niet een beetje goedheid bezit." - Maarten Luther


De preek van Paasmorgen

E-mailadres Afdrukken

Twee beelden strijden vandaag om voorrang voor ons geestesoog.

Het ene beeld is dat van het water dat onder de dorpel van de gedroomde nieuwe tempel vandaan naar beneden stroomt. Eerst druppelsgewijs,  dan steeds meer aanzwellend zodat een beek een bruisende stroom wordt die uitmondt in zee. Een klein stroompje wordt een levengevende rivier, die met moeite doorwaadbaar is tot alleen nog een zwemmer kan oversteken.

Het tweede beeld is dat van het lege graf waarin de gestorven Jezus twee dagen tevoren neergelegd was, het nog onbestemde, woordeloze geloof van de mannelijke leerlingen en meteen daarna de ontroerende ontmoeting van Maria uit Magdala met de Opgestane, die zij eerst voor de tuinman aanziet.

Twee totaal verschillende beelden, die een ding gemeen hebben: dat ze ons de overmacht van het leven over de dood verkondigen, tegen alle verwachting in.

Zoals water vanonder de spleten van het heilige der heiligen uitstroomt tot een stroom van levend water en zoals een open graf doet vermoeden dat er leven is vanuit de volstrekte doodsheid, zo is het met opstanding.

Want het visioen dat Ezechiëls beleeft, geschiedt middenin de ballingschap. In zijn droom wordt hij door God zelf rondgeleid in het nieuwe Jeruzalem, een stad in een land van belofte, een stad op een berg, met als hart een huis vanwaaruit levend water stroomt, Gods Torah, een bron van leven, waaraan het volk als bomen geplant zal worden en zal wonen. Maar het adres van zijn blijde boodschap is nog altijd neergezeten in zak en as. Het zal nog lang duren voordat de ballingen zullen keren, maar nu hoort het reeds van nieuw leven, een nieuw begin, van een einde aan dwingelandij. Van leven naar Gods wil. De ballingen zullen keren. Zij zullen de God van Israël weer kunnen dienen in het land dat hij hen geven zal.

Maar er is nog niets dat daar op wijst dan enkel en alleen Gods boodschap, die Ezechiël te verkondigen heeft. Maar in dat gedroomde woord, Góds Woord, daarin gebeurt het. In die blijde boodschap begint de vernieuwing, ja geschiedt ópstanding. Het sijpelende stroompje wordt een rivier die het dorstige land en de dorre vlakten verzadigt en de doodsheid van de Dode Zee geneest. Het begint schoorvoetend, maar het heeft een kracht die je alles en iedereen meevoert.

De ballingen zullen keren, zij zullen leven. Mét dat het einde aan hun ballingschap wordt aangezegd, ís het er al bijna. Gods woord is een gezeggende, levengevende kracht.

En dan de leerling, van wie Jezus veel hield, die het  eerst bij het graf komt. Hij heeft maar nauwelijks de tijd om op zich te laten inwerken wat er gebeurt. Hij kan de Schriften er nog niet op naslaan. Ze schieten hem nog eens niet te binnen. Zo overrompeld is hij. Maar hij zíet en gelooft. Het lege graf spreekt voor zichzelf: het spreekt zich uit. Nog voordat oude woorden op de gebeurtenissen van zijn hier en nu worden betrokken, is zijn geloof gewekt, wakker gekust.

En bij Johannes' bericht van de opstanding treedt, als in een nieuw scheppingsverhaal, een nieuwe Adam naar voren. Maria, nadat ze de Heer heeft herkend in wie ze aanzag voor de tuinman, Maria gaat zelf getuigen van haar ontmoeting met de opgestane: "Ik heb de Heer gezien".

En ze verkondigt het woord dat hij haar heeft gegeven aan de leerlingen: "zeg tegen hen, dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie vader, naar mijn God, die ook jullie Vader is."

Jezus stijgt op, zoals pelgrims doen naar de tempel. Hij is een pelgrim en tegelijkertijd is hij zelf het heiligdom. Hij overbrugt de kloof tussen leven en eeuwig leven. Maria verandert voorgoed, deelt in zijn opstanding.

Toch weten we ook, dat Maria en de andere leerlingen verder geleefd hebben en gestorven zijn. Hun aardse leven is verder gegaan.

De opstandingsboodschap, de hele kracht van het evangelie werkt blijkbaar niet zo, dat ons de hele wereld onmiddelijk, zichtbaar en onherkenbaar verandert.

Dat kunnen wij toch beamen? Ook in onze wereld is nog veel dat eerder naar de dood neigt dan naar het leven. Er gaat nog altijd van alles mis, ook als wij gelovig op God vertrouwen. Er worden mensen ziek, zo ziek dat we voor hun leven vrezen. Er gaan mensen dood, veel vroeger dan wij aanvaardbaar vinden. En ook mensen die geloven krijgen soms mot met het leven en met andere mensen. Mensen lijken zo vaak meer moedeloos dan vol hoop.

Zo bezien is opstanding vooral een mooie droom, zoals Ezechiël misschien wat troost kon brengen, toen hij eenmaal zijn visioenen mocht uitspreken. Houden de mooie verhalen en de visioenen het uit in onze rauwe werkelijkheid? "In mooie verhalen kun je niet wonen", zeggen ze in Rotterdam en ze zeggen het eigenlijk iets platter dan dat.

Maar hoe zit het ook alweer met de druppel, die de steen uitholt? Zou het zo niet ook zijn met de kracht die God in Christus toont: een zachte kracht, maar een waarin zoveel macht schuilt, dat de wereld er wel degelijk anders door wordt, voorgoed? Is zo niet de werking van Gods woord, van zijn evangelie in de wereld? Het begint met een kabbelend stroompje, maar let op, het wordt een bruisende beek en een rivier, die dorstig land bevloeien kan en woestijnen herschept tot een vruchtbaar land. Een graf, jawel, maar let op, het is open en het roept ons toe: hij is niet hier, hij leeft.

Opstanding is een kracht die de dood terugwijst. Alles wat wij zien gebeuren, goed of slecht, in onze wereld, het is er niet voor de eeuwigheid. Vroeg of laat moeten wij het loslaten, al klampen wij ons er nog zo krampachtig aan vast, al lijkt het het een en het al, macht, status, gewin, ja zelfs een keurig imago.  

God geeft ons in zijn Woord, in de opstanding van Christus een ander houvast: dat van de nieuwe schepping, die komen zal. Het klinkt allemaal als een visioen, als een droom, die niet de werkelijkheid is. Maar God zelf legt die droom in ons hart. 

In Jezus Christus is het begonnen. Druppelsgewijs, maar onstuitbaar wordt de wereld anders, nieuw. Christus is de eersteling, hij is als de hoeksteen van de nieuwe tempel: nu die geplaatst is, weten wij: ook de rest van het gebouw zal komen. Zijn dood aan het kruis, de afkeuring van de hoeksteen, is het einde niet, maar betekent een nieuw begin voor alle mensen. Er stroomt water - levend water! – en bloed uit zijn zijde, als de soldaat met een lans in zijn dode lichaam steekt. Hij ís de nieuwe tempel en wij zijn als balllingen, die zullen keren.

Als wij dat geloven, dan kunnen wij daar ook uit leven. Dan is het mogelijk te leven in het teken van dat nieuwe, waarmee alles anders geworden is en anders wordt.

Zoals de ballingen de keuze hadden na Ezechiëls donderdpreken en na zijn heilsberichten om te geloven in een nieuwe wijze van leven, gericht op de toekomst, om zich niet laten neerdrukken of gewillig meeslepen door de brute kracht van Babel.

Zoals Maria alles verder vertelde, verkondigde, wat zij gezien en gehoord heeft en de blijde boodschap de wereld deed ingegaan.

Zo mogen wij leven vanuit Pasen, vanuit zijn opstanding: de wereld wordt nieuw, het is al begonnen en wij mogen er hopend, biddend, vierend en handelend van getuigen, dat de dood het laatste woord niet heeft, dat wij ons niet hoeven te laten gezeggen door machteloos gebral van doodse structuren die mensen tot slaven maken van de honger naar meer en meer van hetzelfde. Dat wij niet hoeven af te wachten tot tandeloze naties op weer een conferentie tot niets of heel weinig komen om de grootste crisis die ophanden is te keren: die van de heelheid van ons leefmilieu.

Pasen maakt ons tot nieuwe mensen, die vol hoop in de wereld staan en die opstandig kunnen wezen, als de dood moet worden weersproken. Vol hoop op wat ooit voorgoed voor aller ogen bekend zal worden.

Maar wij volgen nu reeds hem, de eersteling. En druppels worden een stroompje met water tot de schenen, een beek met water tot de lendenen, een rivier, waarin we moeten zwemmen. Want alles stroomt uit God, de bron van het levende water, die onstuitbaar is.