RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Onze naaste is ieder mens, in het bijzonder die onze hulp nodig heeft." - Maarten Luther


De preek van zondag 13 mei 2012

E-mailadres Afdrukken

Vanaf vandaag lezen wij uit het boek Handelingen. Op de plaats van de epistellezing. In de meeste jaren krijgt het boek alleen met Hemelvaart en Pinksteren een plek op het leesrooster. Het Lutherse leesrooster schrijft ook nog op Tweede Kerstdag, de gedenkdag van Stefanus en op 24 juni, de gedenkdag van Johannes de Doper, een lezing uit Handelingen voor. Dan heb je het wel gehad. Daarom is het mooi, dat het oecumenisch leesrooster Handelingen langere tijd laat lezen. Door erbij aan te haken, geven we wat context aan die hoofdstukken, die we al kennen.

Handelingen is het tweede boek van Lucas, het vervolg op zijn evangelie. Het boek thematiseert bij uitstek wat wij zíjn: kerk, gemeenschap van Christus. Want het gaat in Handelingen om de ontwikkeling van de kerk, vanuit de beweging rond Jezus, die door zijn leerlingen de wereld in wordt gebracht. Het gaat om de reikwijdte van de blijde boodschap van het Rijk Gods, zoals Jezus die preekte en zoals die door de apostelen verder moest, de wereld in.

De discussie waarover het boek vertelt, komt vooral neer op de vraag: wie kan er bij de kerk horen? Welke voorwaarden stellen we aan het lidmaatschap, al is ‘lidmaatschap’ nogal een modern woord. Er is een groot verschil van mening tussen hen, die volgelingen van Jezus zijn, maar Joods van afkomst zijn en zich ook aan de Joodse wetten houden – spijswetten en andere voorschriften - en hen, die weliswaar ook joods zijn, maar veel soepeler zijn in het hanteren van de grenzen tussen Jood en niet-Jood, anders gezegd: heiden als het gat om toetreding tot de kerk.

Hier, in Hoofdstuk 11, krijgt Petrus flinke kritiek, van de Joodse leerlingen van Jezus die het contact met niet-Joden schuwen. Petrus heeft zomaar met onbesnedenen gegeten, nota bene in het huis van een van hen: Cornelius. Hij heeft zich dus onrein gemaakt en hij heeft de boodschap van Jezus aan hen onvoorwaardelijk gebracht.

De joodse christenen verwijten hem op dit punt nog niet eens, dat hij Cornelius en de zijnen heeft gedoopt. Ze beginnen bij dit punt van het samen eten. Want ze weten natuurlijk wel, dat Petrus er geen kosjere maaltijd zal hebben gekregen. Hij heeft dus heidens gegeten met onbesnedenen en zelf tegen zijn eigen wetten gezondigd. Dat verwijt is niet zomaar iets racistisch: samen eten was en is naar Joods besef iets heel intiems: dat deed en doe je niet zo maar met iedereen. Door met ekaar te eten, deel je meer met elkaar dan je brood, je deelt iets van jezelf. Je laat elkaar heel dichtbij komen. Niet –joden waren daar meestal veel ruimer in: maar ja, dan kan het ook gebeuren, dat er van alles en nog wat gegeten wordt. Dus was het voor joden maar veiliger om niet of zo weinig mogelijk met niet-Joden om te gaan. Bovendien zouden die heidenen je zomaar een stuk vlees uit een of andere heidense tempel kunnen voorzetten.Het is dus niet vreemd, dat Petrus wat uit te leggen heeft aan zijn geloofsgenoten.

We zitten met deze scene middenin het conflict van de vroege kerk, een conflict rond de vraag: mogen niet-Joden wel toetreden tot de kerk en zo ja, moeten ze dan niete erst besneden te worden en mag je eigenlijk wel helemaal met hen omgaan, ook als christelijke jood? Voor de ene groep is de enige goede christen een joodse christen, voor de andere groep, de groep rond Petrus, waartoe ook Lucas, de schrijver van Handelingen behoort, volgens deze groep is voor God de grens tussen jood en heiden niet langer bepalend. Het heil is weliswaar uit de Joden, maar ook voor de heidenen bedoeld. Je hoeft als niet-Jood niet meer eerst Jood te worden om deel te krijgen aan het heil, dat in Christus wordt gegeven.

Een probleem, dat wij niet meer zo herkennen. Wij staan immers in een christelijke traditie, waarin de niet-Joden het zeker getalsmatig ruimschoots hebben gewonnen van de joodse christenen. Zelfs zozeer, dat het eerder andersom is geweest en misschien nog wel zo is: christenen met een Joodse achtergrond zijn immers zo weinig in getal, dat zij in een positie zijn gekomen, dat zij zich in de verdediging of erger gedrukt voelden of voelen. Met als diepste dieptepunt de vervolgingen in de nazitijd.

Wij hebben als kerk van de twintigste eeuw juist weer de joodse origine van de kerk moeten opgraven en Joods-zijn van Jezus weer moeten leren verstaan en wat dat betekent voor zijn boodschap. Nu we dat weer kunnen, zien we juist ook, dat die discussie tussen die groepen een intern –joods probleem is geweest van mensen die allen Jezus wilden volgen, maar van mening verschilden over hoe dat te doen. Waarover ze niet van mening verschilden is, dat de boodschap van Jezus verstaan moet worden tegen de achtergrond van de hele bijbel, de joodse bijbel. Voor Lucas is Jezus dan ook een joodse profeet, die oproept tot bekering en die Gods vergeving verkondigt. Ieder die daardoor wordt aangesprokenen wordt aangeraakt door Gods Geest en gelooft, kan dan gedoopt worden.

Dat is van een tot dan toe ongekende openheid. Daarom moesten die christenen uit Jeruzalem daar ook zo aan wennen. Als je alle grenzen doorstreept, heb je dan nog wel enige controle over de waarheid? Als je de gehoorzaamheid aan Gods wetten overboord zet, is dan niet zomaar alles geoorloofd?

Zo keken de Joden en de joodse christenen toch naar de onbesnedenen, naar niet-Joden: als mensen zonder God of gebod. Misschien niet zozeer als slechte mensen, maar wel als mensen die de waarheid niet kenden, als mensen die helemaal vanuit menselijke ideeën leefden en niet vanuit de openbaring van God zelf, door Mozes en de andere profeten gegeven.

Als Petrus zich verdedigt, moet hij meteen tot de kern van de zaak komen: God zelf heeft hem opdracht te geven met Cornelius te eten en hem Gods woord te verkondigen. Hij beroept zich op het visioen, waarin hij het laken met alle mogelijke dieren heeft gezien en op de stem uit de hemel die daarbij geklonken heeft: “Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen.”

Petrus beroept zich dus onomwonden op de leiding van de Heilige Geest.

En daarin zit volgens mij nu het hoogst actuele of misschien wel tijdloze aspect van dit stuk en het hele boek Handelingen: wat maakt de kerk eigenlijk tot de kerk?

Zijn dat overtuigingen van mensen? Of gaat het om iets anders? Het boek Handelingen en de hele christelijke traditie daarna- zeker de lutherse traditie - belijdt, dat de kerk Gods werk en Gods zaak is. De kerk komt voort uit Gods Heilige Geest: zij geeft het geloof aan mensen en doet hen zichzelf verstaan als Gods kinderen. Dat is niet een besef dat voortkomt uit onze eigen meningen of inzichten. Ook al voelt dat soms van wel, dan nog is het iets dat God ons geeft. En hij geeft het ons in Woord en Sacrament, in de prediking van alles wat evangelie genoemd kan worden: de boodschap van Gods liefde tot ieder mens en de heilige tekenen van Doop en Avondmaal. Daar begint dit verhaal ook mee: dat men in Judea had gehoord dat ook de heidenen Gods Woord hebben aanvaard. Petrus en de zijnen zeggen daarvan: dat is Gods eigen werk. De kerk wordt door God gebouwd, geleid en gedragen.

Dat te geloven geeft ook vandaag de dag een enorme ruimte en vrijheid. Het betekent, dat wij geen nauwe grenzen hoeven aan te leggen, geen hekken hoeven te bouwen rond de kerk om te bepalen wie wel en niet echt christen is. Daar gaan wij zelf niet over. Dat is ten diepste een zaak tussen God en ieder mens. Luther zegt bovendien ook nog eens: er is een zichtbare en een onzichtbare kerk. De ware kerk, de binnenkant, is iets dat alleen God kan herkennen, maar hij werkt ook via de uiterlijke kerk. Toen ik van de week las, dat onze overheid aan de leiding van de PKN heeft gevraagd om te adviseren bij het onderscheiden tussen een echt bekeringsverhaal en een nep-bekeringsverhaal, dacht ik: dat is een hachelijke zaak. Moet je daar als kerk wel over willen oordelen? Om over de overheid maar te zwijgen. Zeker als je weet, dat de overheid op grond van die kennis, als die wel te geven is, gaat beslissen wie wel en wie geen asiel zal krijgen. Het gaat dan toch om de vraag: wie is wel en wie is geen christen. Voor je het weet zit je in dat smalende onderscheid, tussen ‘naamchristenen’ en ‘ware’ christenen, waar bepaalde kerkgenootschappen zo aan hechten. En dan bepaal je als mens dus hoe het zit tussen God en mens.

Behoren tot de kerk is, vanuit onszelf gezien, erop mogen vertrouwen, dat God door zijn Geest leiding geeft aan de kerkelijke gemeenschap en aan de individuele gelovigen. God geeft het geloof: dat is een zaak van de Geest. Dat laat onverlet, dat de kerk ook mensenwerk blijft en dat wij als mensen zomaar niet het onderscheid kunnen maken tussen wat van God komt en wat van mensen komt en dus feilbaar is. Waar het gaat om regelrechte schendingen van de menselijkheid, de schepping en Gods eer – en dus ook in hun samenhang – lijkt het me duidelijk: dat kan niet van God komen. Maar op veel andere punten lijkt het mij de kunst, om als christenen niet meteen of misschien wel helemaal niet te oordelen en elkaar de ruimte geven. Daarmee geven we God alle ruimte om zijn Geest haar gang te laten gaan en ons allereerst te zoeken.