RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God is niet een God van nijd, maar van genade" - Maarten Luther


De preek van zondag 16 september 2012

E-mailadres Afdrukken

Inleiding tot evangelielezing

In de lezing uit Marcus slaan wij een belangrijke stap over: de verheerlijking op de berg. Wij haken met het oecumenisch leesrooster weer in op het moment dat Jezus met drie van zijn leerlingen de berg is afgedaald. Hij loopt het dorp in en vindt daar zijn overige leerlingen in gesprek met de schare en enkele schriftgeleerden over de jongen met een stomme geest.  Zo gaat Jezus vanuit die situatie van bijna hemelse duidelijkheid weer de diepte in. Hij daalt dus letterlijk af. Het maakt bij Marcus deel uit van de gang naar Jeruzalem en de ontknoping rond lijden, kruisdood en het lege graf.

Psalmwoord en halleluja

Lezing Marcus 9: 14-29

lofprijzing

Geloofsbelijdenis

Preek

"Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp."

Deze woorden van de vader van de jongen die doof en stom gemaakt wordt door een boze geest, die hem in bezit genomen heeft, springen er uit. Ze vormen een gebed. Een gebed waaruit zowel hoop als wanhoop, en zowel geloof als twijfel spreken. Een gebed, ook, dat tegelijkertijd een belijdenis is. Net als in die woorden van Augustinus, die we zongen op de even treffende melodie van Jaap Dragt. Geloof en twijfel, ze gaan hand in hand, ze huizen in één ziel van de mens die op God wil vertrouwen, van de mens die wil geloven. Ze gelden tegelijkertijd en vaker nog domineert vooral de twijfel.

Als wíj dat al herkenbaar vinden, hoe moet die vader zich dan niet hebben gevoeld.

Hij staat daar bij Jezus, wijzend op zijn zoon, die van kindafaan stom is en toevallen krijgt, waardoor hij regelmatig alle controle over zichzelf verliest, vesrtijfd en onder stuiptrekkingen.  Wij denken meteen: "dat gaat over epilepsie", als we dat lezen. "Hij is bezeten door een geest", zei  men in Jezus' tijd. Deels, omdat ze veel minder dan wij tegenwoordig geen echt inzicht in de ziekte hebben, hoe konden ze dat ook? En deels, omdat ze, waarschijnlijk veel beter dan wij tegenwoordig, oog hadden voor de totale macht die zo'n aandoening over een mens heeft. Dat men allerlei aandoeningen aan boze geesten weet, is dus niet alleen maar omdat men niet beter wist. Het is ook erkenning van het feit hoezeer mensen kunnen worden overgenomen en inderdaad 'bezet gebied' kunnen worden voor een vreemde overmacht. Dat is voor velen ook in onze tijd heel goed voorstelbaar: mensen met een depressie bijvoorbeeld, kunnen zo'n gevoel van totale onvrijheid ervaren. Ze zijn geen baas meerover hun stemming en niet over hun eigen geest. Hetzelfde geldt voor mensen met dwangmatige neigingen of – gedachten, of met verslavingen. Ik weet niet, of zij dat idee van de boze geest zo volstrekt onzinnig zouden vinden, ook al past het waarschijnlijk lang niet altijd in hun wereldbeeld. Maar het doet wel recht aan het besef dat je je reddeloos verloren voelt door krachten die jouw eigen kracht geheel en al te boven gaan.

De vader is de wanhoop nabij. Hij kwam voor Jezus, maar toen die er niet bleek te zijn, vroeg hij zijn leerlingen om zijn zoon te redden. Maar dat konden ze niet. Nu Jezus weer in het dorp is, kan hij het hem zelf vragen: "...als u iets kunt doen, heb dan medelijden en help ons."

In die vraag schuilt al de dubbelheid van twijfel en geloof.

Jezus reageert vooral op die twijfel: "Of ik iets kan doen?" Het klinkt bijna alsof Jezus' volgende zin luidt: natuurlijk kan ik iets doen. De aarzeling van de vader wordt door Jezus opzij geschoven. Veel meer dan begrip te tonen voor die aarzeling, benadrukt Jezus hier de noodzaak van het geloof. "Alles is mogelijk, voor wie gelooft." Jezus wil die man namelijk sterken in zijn geloof, in zijn vertrouwen. Hij wil hem helpen en hij zal het ook doen, zoals we zullen zien. Maar hij vraagt die man of hij wil leven vanuit zijn geloofsvertrouwen.

Zelfs,  - juist! – omdat ook bij ons geloof en twijfel zo dicht bij elkaar liggen, ja wel nooit zonder elkaar te ervaren zijn, herkennen wij die vraag van de vader: "Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp."

Het is niet een zuinige wijze van geloven, waarin we God vragen aan te vullen wat wij tekort komen. Het is een vraag om te mogen leven vanuit vertrouwen in wat God ons geeft: een wijze van in het leven staan, die meer ziet dan moeilijkheden en onmogelijkheden, een blik die aan onze eigen beperkingen en tekortkomingen voorbijziet en vertrouwt op het goede dat God al heeft gegeven, zodat wij  er overtuigd van kunnen zijn, dat het zin heeft hoe wij leven vanuit de hoop op een wereld, die worden zal naar Gods wil en waarnaar God zelf het verlangen heeft wakker gemaakt.

Die vraag om geloof, dat moet altijd onze eerste vraag aan God blijven: kom ons ongeloof te hulp, geef ons geloof en laat ons daarmee leven. Het gaat er niet om dat wij klein denken over wat mensen kunne betekenen. Aar het gaat erop dat wij leren vertrouwen dat wat het geloof ons geeft ook doorwerkt in ons leven van alledag, in het leven ook, van de kerk in de wereld. Dan kunnen we onderscheiden wat ons te doen staat en dan kunnen we eraan beginnen zonder er bij voorbaat aan te wanhopen, dat het tevergeefs of te weinig zal zijn. Vanuit het geloof wordt het mogelijk om in de wereld meer te zien dan een planeet die geteisterd wordt door rampen en gedoemd tenonder te gaan aan menselijk wanbeheer. Als we het daarbij laten, zo gaan doemdenken, dan zien we voorbij aan wat God zelf geeft in heel zijn woord, in Christus als degene die door heel het leven, zelfs door de dood heen gaat om op te staan tot nieuw leven. Leven met geloof is je, net als bij die jongen gebeurt, laten opwekken tot een nieuw leven.

Voor ons ligt de vredesweek. Het risico van een zo'n week per jaar is, dat het een reeks activiteiten wordt, die we doorlopen om daarna weer de draad van alledag op te pakken. En het risico is, dat we meodeloos worden, als we de omvang van de onvrede in de wereld tot ons laten doordringen.

Maar geloven is voortdurend in de weer zijn met de vrede, als we vrede verstaan als: de heelheid die God ons wil geven en die hij ook als leefwijze mogelijk maakt. Ook daarin zouden we kunnen blijven steken in wanhoop. Maar voor het geloof biedt de wanhoop geen begaanbare weg. De weg van de wanhoop, hoe begrijpelijk die ook is, loopt vast, ja loopt dood. Maar de weg van de hoop leidt naar leven en leert ons, dat er wel degelijk wat te doen is en te bereiken, ook al kunnen dat kleine dingen zijn, waarvoor je je kunt inzetten in je eigen omgeving, in deze stad.

Ach en daarom is zo waar wat Augustiunus zei: geloven is bidden om geloof.