RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God is niet een God van nijd, maar van genade" - Maarten Luther


De preek van Eeuwigheidszondag

E-mailadres Afdrukken

 Ik was eens in een kerk waar men Sint Luciadag vierde. Er liep een hele stoet meisjes met brandende kaarsen boven het hoofd de kerk binnen. Ze hadden appelwangen en zongen kerstliederen. Vrolijke en opgetogen meisjes.

Die Zweedse meisjes hielpen mij om opnieuw in de gelijkenis van de wijze en dwaze meisjes te komen. Want die kwam op mij altijd oneerlijk over. En die verstandige meisjes heb ik altijd een beetje vervelend gevonden. Van die types die heel goed voor zichzelf zorgen, maar nauwelijks aan een ander denken. Die de eigen verantwoordelijkheid zo hoog in het vaandel hebben, dat ze vinden dat wie niet goed voor zichzelf zorgt, pech heeft gehad. Die de dwaze meisjes met een bits: 'ga zelf maar halen, anders hebben wij straks ook niks', in het donker laten staan. Dat beeld van die Zweedse meisjes hielp me daar ineens van af. Ineens zag ik allen maar de vrolijkheid waarom het hier gaat, de vreugde waarin gedeeld mag worden. Want het gaat om het doel waarom die meisjes handelen zoals ze doen. Hun taak om de bruidegom in te halen en nog verder: het bruiloftsfeest zelf.

Met het oog op dat doel staat hier de vreugde voorop. Die staat zo centraal, dat al het andere dat gebeurt; de deur die dichtblijft voor die dwaze meisjes en de bruidegom die hen niet wil kennen, hooguit op de tweede plaats komt:

Het gaat Jezus bovenal om dat feest dat komt en de komst van het koninkrijk van de hemel. Voor dat bruiloftfeest zijn alle meisjes van meet af aan uitgenodigd. En dat betekent weer, dat God wil dat alle mensen zullen leven in zijn nieuwe heerschappij, die voor iedereen duidelijk zal zijn  en aansluit bij al die verwachtingen, van Jesaja en van de schrijver van II Petrus: "...een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont."

Het gaat erom: hoe leef je ernaartoe. Hoe leef je met het besef uitgenodigd te zijn?

Dat kan niet betekenen dat wij op een angstvallig manier rekening houden met het feit dat de wereld elk moment op zijn einde kan lopen.

Dat kan niet betekenen dat wij de wereld verdelen in een 'wij', dat alleen bekommerd is om 'ons heil' en een 'zij', dat, helaas, buiten de boot zal vallen.

De wijze waarop wij, als mensen van deze wereld, rekening houden met Gods grote vernieuwing van zijn schepping, moet in zichzelf iets feestelijks hebben.

Nu kan ik mij voorstellen dat u wat moeite hebt met dat beeld van het feest. Omdat het zo letterlijk, zo plastisch klinkt, maar vooral ook, omdat het zo indruist tegen de realiteit van deze Eeuwigheidszondag. Velen van u beleven hier vandaag vooral dat: het noemen van de naam van uw geliefde gestorvene. Hoe kunnen wij vrolijk zijn, spreken over het toeleven naar een feestelijke toekomst, als wij zoveel verdriet voelen om hen die wij hier vandaag noemen en die niet meer bij ons zijn, die soms zo kort geleden gestorven zijn, dat wij hun overlijden nog niet kunnen bevatten? Dat valt toch niet te overstemmen met woorden over gejubel en gejuich?

Overstemmen zeker niet. Hoe zou dat ook kunnen: Maar het verdriet en het missen van mensen zijn ervaringen die altijd bij de mensen zullen zijn, want ze overkomen ons, vroeg of laat, allemaal. Het evangelie van Mattheus getuigt, net als de andere evangelieën van licht in een donkere wereld. De grondtoon van het menselijk bestaan, is vaak een donkere. Dat zien we als we om ons heen kijken en de verbijsterende ellende zien in de wereld die maar voortduurt. Dat zien we als we tot ons door laten dringen, dat we zelf sterfelijk zijn en wat dat betekent. Dat is een laatste ernst, die niemand uit het oog kan verliezen en die we onder ogen moeten zien. Wij allen.

Maar toch blijft het daar, bijbels gezien, evangelisch gezien, niet bij. Vandaag, als wij de mensen gedenken die ons het afgelopen jaar, deze afgelopen weken ontvielen, lezen wij van Gods beloften aan de wereld. Een belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, van een Rijk dat komt, van een bruidegom, die komt te middernacht, als de nacht op z'n allerdonkerst is, als niemand meer verwacht dát Hij komt, als wij menselijkerwijs de moed in de schoenen hebben laten zinken en er niet meer in geloven.

Het gaat ook in dit verhaal om de voorrang van Gods genade: dat zijn Rijk kómt, hoe dan ook, wanneer dan ook, ja, dat het al bezig is te komen. Bij alle menselijke ervaring van de wereld zoals die is, met al haar gebrokenheid en wreedheidis daar steeds ook de realiteit van Gods Rijk, dat al begonnen is en dat nog komen zal. Het is er nu al in Zijn liefde, in zijn beloften van een wereld omgekeerd en vernieuwd, herschapen naar hoe het Gods ogen zijn moet. En het komt op een wijze die wij niet zelf kunnen maken. God zal het doen.

En in de tussentijd, leven wij ernaar toe, als 'meisjes die hun olielampen hadden gepakt en erop uittrokken, de bruidegom tegemoet' en dan wel als de wijze meisjes graag, die 'behalve hun lampen ook olie in kruiken' bij zich hebben.

Je lampen brandend houden, daarin zie ik het leven onder het besef dat wij niet samenvallen met wie wij hier en nu zijn, met hoe de wereld nu eenmaal is. We hoeven ons niet te laten leiden door de waan van de dag, waardoor we cynisch zouden kunnen worden, maar wij krijgen het visioen van Gods rijk van vrede en echt aangereikt, om naar toe te leven. God zelf geeft ons dat als brandstof voor onderweg. Hij vraagt ons, daarop te vertrouwen en zo te leven, dat wij dat vertrouwen ook uitstralen.

Het is als het ware een ander beeld bij wat navolging betekent: als wij Christus willen navolgen mogen wij weten dat wij hem voor alles ook hoopvol tegemóet gaan.

En dan ontstaat er alle ruimte voor eigen vrijheid, voor verantwoordelijkheid nemen voor ons aandeel in deze wereld. De vrijheid van de christen start vanuit Gods genade. Voor een verwachtingsvol leven uit geloof geeft God de reserves, de olie, de brandstof. Hij geeft het ons in zovele dingen en zeker in Woord en Sacrament. Daarom bent u allen welkom, straks, aan het Heilig Avondmaal, ondanks misschien uw eigen aarzelingen. God zelf reikt ons brood uit de hemel aan en schenkt ons de wijn van het Koninkrijk. Wij kunnen er onze lampen mee vullen.  

En samen in de kring zijn wij dan heel dicht bij dat Rijk, want in de kring is de bruidegom zelf in ons midden. Hij slaat ook de brug tussen ons als levenden en hen die gestorven zijn. Laten wij Hem tegemoet gaan.