RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God schrijft het evangelie niet in de bijbel alleen. Ook op bomen en in de bloemen en wolken en sterren." - Maarten Luther


De preek van zondag 10 februari

E-mailadres Afdrukken

De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de eenheid met de heilige Geest zij met u allen. (2Kor 13,13)

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

In het oecumenisch leesrooster voor vandaag vinden wij de volgende tekst uit Jesaja, hoofdstuk 6, de verzen 1 t/m 6:

1 In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. 2 Boven hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. 3 Zij riepen elkaar toe: 'Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.' 4 Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. 5 Ik schreeuwde het uit: 'Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten, gezien.' 6 Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiende kool van het altaar en vloog daarmee op mij af. 7 Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: 'Nu zijn je lippen gereinigd. Je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.' 8 Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen: 'Wie zal ik sturen? Wie kan namens ons gaan?' Ik antwoordde: 'Hier ben ik, stuur mij.'

Heilig, heilig, heilig. Drie keer heilig – volmaakt heilig.

Jesaja heeft een visioen. Hij ziet de Heer – hoogverheven. De tempel is (toen) al heel groot, maar hij kan de heerlijkheid van de HEER niet omvangen, niet omvatten. Slechts de zoom van zijn mantel vulde al de hele tempel!

Hij, de Heilige, is omgeven van hemelse wezen, serafs, die vliegen en de Heer prijzen, maar tegelijkertijd zichzelf moeten bedekken, hun gezicht – om de Heer niet aan te kijken, en hun onderlichaam – waarschijnlijk om hun schaamte te bedekken: Heiligheid eist afstand, tussenruimte. Met het heilige mag je niet zomaar in contact treden. Geen grensoverschrijding! Integendeel: binnen de perken blijven.

Er zijn trouwens geen uiterlijke grenzen, maar de serafs stellen zelf de grenzen doordat ze hun gezicht verhullen en hun onderlichaam bedekken. Zij respecteren van zelf de eigenlijk onzichtbare grenzen, ze bekennen door hun gebaren dat er een grens is.

En zo doet het ook de profeet. Hij belijdt dat hij niet zou kunnen standhouden voor de Heilige; hij kent en handhaaft de grens tussen hem als mens en God.

Je mag niets zeggen, want de lippen zijn onrein, onrein door het alledaagse gepraat, het vele wat je niet had moeten of hoeven of mogen zeggen.

En je mag eigenlijk ook de HEER niet zien. Want „geen mens kan mij zien en in leven blijven (Ex 33,20)." De profeet Jesaja belijdt zo ook de grens tussen hem en God, tussen hem en Gods heiligheid.

Gods heiligheid – waar komen wij die tegen? Zijn er heilige plaatsen, heilige tijden, heilige mensen, waar wij Gods heiligheid zouden kunnen tegenkomen?

Uit de visioen van Jesaja wordt duidelijk dat het heilige of de Heilige steeds z.t.z. twee kanten heeft. Je zou je kunnen afvragen, of iets of iemand heilig in zich zelf is; wie en wat heilig is.

Maar dat is het nog niet. Het heilige zou ook moeten worden erkend als heilig, het moet geheiligd worden. De grenzen moeten gesteld worden, de afstand moet zichtbaar worden. Dat doe je bijvoorbeeld zoals Jesaja door terugtreden, door onderwerpen, door het belijden van jou eigen onvermogen, van jou eigen onheiligheid.

Luther zegt het in zijn Catechismus, in de uitleg van het Onzevader zo:

De eerste bede: Uw naam worde geheiligd. Wat is dat? Antwoord: Gods naam is in zichzelf al heilig, maar wij bidden in deze bede, dat Hij ook bij ons heilig mag worden.

Dus: Het is niet de vraag of God heilig is, maar hoe wij dat erkennen. Wij hebben een behoefde eraan om de grenzen te laten zien omdat wij dan pas ook de Heilige kunnen herkennen.

Altijd hebben mensen plaatsen en ruimtes, tijden en dagen gescheiden, afgebakend om het Heilige te symboliseren, afgescheiden, afgebakend van het gewone, alledaagse leven met al zijn alledaagse activiteiten: een heilig gereedschap, een heilig boom, een heilig berg, een heilig tempel, feestweken en feestdagen, een heilig dag, een zondag.

Zeker, sinds de reformatie is dat alles bij ons in Europa in veel mindere mate het geval. Ook de reformatie heeft de wereld onttoverd of rekening ermee gehouden dat de onttovering al plaats had gevonden. In de wereld is op zich niets meer heilig.

Is ons nog iets heilig? Jazeker! Als on niets heilig was zouden wij vandaag niet hier in de kerk zitten. Maar wat is ons heilig – en hoe laten wij het zien. Want: Als wij het niet laten zien, is het ons ook niet heilig. Dus: hoe en waar laten wij zien, hoe en waar symboliseren wij wat ons heilig is?

 

Symboliseren betekent: iets verwoorden, iets uitdrukken wat je niet zomaar kan aantonen, wat je niet zomaar kan vastpakken. Het heilige symboliseren is het creëren van een ruimte of het afbakenen van een tijdstip. Het schilderen, het verhalen ophangen, het musiceren of het verwoorden waarin ik dat kan uitdrukken wat anders niet gezien kan worden.

Wat is het heilige dat ik op de ene of andere manier zou willen kunnen symboliseren?

Het Heilige en de Heilige is vooral de reden van mijn wezen, het fundament van mijn leven, het doel van mijn bestaan.

Als ik het Heilige wil benaderen zou ik me bezig houden met de gedachten:

- dat ik mijn bestaan niet aan mezelf, zelfs niet in eerste instantie aan mijn ouders te danken heb, maar aan iets of iemand, die uit niets een individueel persoon heeft doen ontstaan.

- dat ik mijn dagelijkse leven niet zelf in stand houd, maar dat ik het te danken heb aan iets of iemand die zonder mijn doen mijn hart doet slagen, mijn stappen bestuurd, mijn lichaam en mijn ziel bewaart.

- dat ik hopen mag dat mijn leven een doel, een betekenis en een zekere waarde heeft, omdat er iemand is die me waardeert en waarde toekent.

- dat ik met mijn gebroken, onvolledig, fragmentarisch existentie op genezing, ja op vervulling mag hopen.

In de godsdienst wil ik dat laten zien en belijd daarom met Luther dat ik me vooral gedragen weet van Gods levendmakend kracht, van zijn heiligheid, van zijn liefde:

Ik geloof, dat God mij met alle schepselen heeft geschapen, mij lichaam en ziel, ogen, oren en alle leden, verstand en alle zingetuigen gegeven heeft en voortdurend onderhoudt; bovendien kleding en schoeisel eten en drinken, huis en hof, vrouw en kind, akker, vee en alle goederen schenkt; mij met al wat nodig is voor lichaam en leven rijkelijk en dagelijks verzorgt; mij tegen alle gevaar beschermt en voor alle kwaad behoedt en bewaart; en dat alles uit louter vaderlijke, goddelijke goedheid en barmhartigheid, zonder dat ik het verdiend heb of waardig ben. Voor dit alles moet ik Hem danken en loven, dienen en gehoorzaam zijn. Dat is zeker waar.

Luthers zegt in dit uitleg van het geloof geen woord over verlies, ziekte, rampen enz. Want God is niet eenvoudig een "Opperwezen", maar de bron van het Zijn, niet van de dood. De dood is het gewone, het leven is de grote, niet anders dan door de Heilige te verklaren uitzondering.

Wat je als christen in de godsdienst doet is op die manier het heilige, God als bron van alle goederen, te herkennen en te erkennen; te weten dat je uiteindelijk niet zelf heer bent over jouw leven, over de belangrijke dingen in het leven ondanks het feit dat wij zelf ook veel kunnen doen om het kwaad te voorkomen.

Iemand die begrip ervoor heeft dat er iets achter ligt, waarover wij niet beschikken, die is godsdienstig, die weet van het of de heilige.

En wij zouden dat op de ene of andere manier – zoals Luther –

symboliseren.

Bijvoorbeeld in het gebed, bijvoorbeeld in het gebed bij de maaltijd. Zeker, wij hebben het zelf gedaan, gekocht en gekookt; maar als je wil laten zien dat er iets of iemand anders achter staat die uiteindelijk het heeft mogelijk gemaakt, dan zou je een dankgebed moeten spreken. Dan zou je moeten laten zien dat je de grens wilt respecteren van datgene waarover jezelf beschikt en datgene waar je slechts ontvanger van bent. En meteen zal het Heilige opduiken.

De grens tussen ons en de Heilige markeert ook een punt van ontmoeting. Zoals in het Bijbels verhaal komt het tot een communicatie tussen de mens en God. Het initiatief en de mogelijkheid gaan uit van de Heilige: (6) "Toen naam één van de serafs met een tang een gloeiende kool van het altaar en vloog daarmee op mij af. (7) Hij raakte mijn mond ermee en zei: „Nu zijn ze gereinigd. Je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.""

Wij kunnen makkelijk dit op onze situatie als christenen toepassen. In Jezus Christus komt ons immers God in menselijke gestalte tegen, heeft hij ons het hemelrijk opgesloten, heeft Hij ons gereinigd, vergeven, aangenomen. Hij staat zo te zeggen op de grens.

Maar zien wij in Jezus Christus ook nog de Heilige, Gods presentie in ons wereld?

Wij kunnen het niet als wij zelf de grens niet willen laten zien.

Zeker, er zijn niet veel plekken waar wij Christus en in hem de Heilige tegenkomen. En deze plekken zijn steeds ambivalent. Je zou op deze plekken slechts de Heilige herkennen als je zelf bereid bent een grens op te stellen.

In die zin gebeurt het Heilige slechts in ons, als wij bereid zijn het Heilige te erkennen.

De Heilige komt ons tegemoet in ons binnen, in een soort visioen, als wij bereid zijn ons voor God de schepper te openen, als wij het verschil erkennen tussen het Heilige en het Profane.

Ik geef enkele voorbeelden.

In mijn jeugd was het gewoon op zondag mooie kleren aan te trekken. De zondag werd op die manier heel duidelijk afgebakend tegen het alledaagse leven. Een eenvoudig uiterlijk teken; maar slechts in het teken was het de zondag als heilige, bijzonder dag, als feestdag zichtbaar.

 

Wij noemen het avondmaal het heilig avondmaal. Er is zeker niets heilig aan het brood, aan de wijn, aan de gereedschappen, noem maar op; heilig wordt het slechts als wij ons van binnen ervoor openen dat wij in het avondmaal Jezus Christus, niet alleen de menselijke God, maar ook de goddelijke mens, ontmoeten. Dat wij nog steeds op een voltooiing wachten en hopen, die slechts van God kan komen. Maar hoe laat je dat – voor jezelf zien?

Wij noemen soms het leven heilig. Er is zeker niets heiligs aan de mens zelf; heilig wordt het menselijke leven voor ons slechts als wij een grens stellen die wij niet mogen overschrijden t.o.v. het leven. Denk maar aan het zogenaamde onwaarde leven, aan de omgang met het ongeboren leven, aan de omgang met zogenaamde niet meer levenswaardig leven en aan de doodstraf. Als het leven niet geheiligd of niet beschermd wordt tegen onze mogelijkheden erover te beschikken, dan is het niet meer heilig. De manier hoe wij met het leven omgaan, zegt iets erover of wij het leven echt als heilig ervaren.

Zeker, we zijn m.b.t. vele dingen in ons dagelijks leven zelfbewust, bewust van onze mogelijkheden, en wij vertrouwen meer dan andere generaties voor ons op onze eigen krachten. Echter, wij moeten ook beseffen dat wij grotendeels helemaal niet heer zijn over onszelf, niet over ons begin, niet over ons leven, niet over ons doel, ja ook niet over onze gedachten en gevoelens. Precies deze inzicht in onze existentiële nederigheid opent de ruimte voor dat wat ons te boven gaat.

Zeker, het Heilige kan hel snel en makkelijk geschonden, profaan worden. De wereld is snel gedesillusioneerd. Dit is niet zo bijzonder. Er is werk nodig om het heilige en de Heilige te ontdekken en te laten zien, een moeilijk, maar een enorm verrijkend werk.

Om deze reden, nog een woord over de rest van de Bijbeltekst, die misschien ten onrechte in het Leesrooster gescheiden is van het eerste deel. In dit gedeelte is er namelijk sprake van de inhoud van de visioen van Jesaja, en dat is de mogelijkheid, de zeer reële mogelijkheid, dat de Heilige zich aan de mensen, aan ons onttrekt, zonder dat wij het beseffen.

9 Toen zei hij: 'Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: "Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet." 10 Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.' 11 Ik vroeg: 'Hoe lang, Heer?' Hij antwoordde: 'Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is, één grote woestenij.'

Er wordt nog steeds het Woord gesproken, ook het Bijbels woord, maar het wordt vaak niet meer waargenomen. Te kijken en niet zien, luisteren en niet horen, dit is een echte vloek. Wij mogen blij erover zijn dat wij nog kijken en zien, luisteren en verstaan.

Ik den, het is onze roeping als christenen zorg te dragen dat er ruimte, tijden, woorden en gebaren zijn, die laten zien, dat wij iets weten van de Heilige, van de bron van het ware leven, iets weten van God.

De vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw hart en gedachten bewaren in Christus Jezus, onze Heer. Amen!