RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"

Ons leven is een leven midden in de dood. En toch blijft ook midden in de dood de hoop op het leven aanwezig.

" - Maarten Luther


Preek van zondag 24 februari 2013

E-mailadres Afdrukken

Gisteren was een groep van 12 Zwolse lutheranen met nog twee anderen te gast in klooster Sion bij Diepenveen. Het was een bijzondere dag, zeker ook door alles zo intensief met elkaar te beleven. We concentreerden ons de hele dag op een enkel bijbelvers, volgens de leesmethode van de lectio divina, de goddelijke, geestelijjke lezing. Die komt erop neer dat je het vers in een aantal fases en op verschillende manieren tot je door liet dringen en er ook met elkaar over in gesprek gaat.

Het vers kwam uit de lezing uit Exodus die wij vandaag hoorden: "Dit zegt de Heer: laat mijn volk gaan om mij te vereren", We lazen het uit de Naardense vertaling, waardoor dat vers wat anders klonk, dan in de NBV. Het woord 'vereren' uit de NBV is daar het woord 'dienen', dat strikt genomen een betere vertaling is van wat er staat in de brontekst. Maar er zijn andere redenen om hier toch voor de NBV te kiezen. Het was heel bijzonder om je het vers op deze meditatieve manier eigen te maken. Door het steeds hardop te zeggen en het later ook in je eigen woorden te zeggen, werd het als het ware een deel van jezelf. We gingen zo nadenken over de vraag: is mijn geloof een vorm van God dienen? Is dat een vrijwillige keuze, of is het mij gegeven. Of voel ik mij er zelfs toe verplicht? Is God dienen ook je naasten dienen? Wat heb ik er allemaal voor nodig om dat te kunnen? En er waren veel meer vragen natuurlijk, die ik hier niet allemaal kan noemen.

Bij mij was er een keerpunt in het horen van het vers, toen iemand begin met de klemtoon te leggen op het woordje mij, dat op God slaat. "Laat mijn volk gaan, om mij te vereren." Hoe vreemd het nu ook klinkt, ook voor mijzelf, dat had ik eerst niet zo gehoord. Maar toen ik dat eenmaal zo hoorde, dacht ik: het gaat hier in de eerste plaats om vrijheid. Want het gaat erom dat het volk Israël eerst in slavernij en in afgedwongen verering de farao moest dienen en vervolgens door God werden opgeroepen Hém te vereren. Als je oppervlakkig zou kijken, maakt dat niet zoveel verschil: de ene overheerser volgt de vorige immers op. Dienen lijkt dienen. Maar we kunnen er natuurlijk niet oppervlakkig naar kijken. En als we doortasten en ook de contekst erbij betrekt, wordt alles anders. Die contekst lazen we er gisteren niet, maar vandaga wel bij. Het gaat om het volk Israël, dat slavendienst verricht in Egypte. God ziet het en kan het niet langer aanzien. Vanuit een brandende doornstruik klinkt het tot Mozes: "Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden". God wil het uit de macht van de Egyptenaren bevrijden om het naar een land van melk en honing te brengen. Het begint dus allemaal met Gods liefde: hij kan het lijden niet aanzien en wil het stoppen.

Hier,  in onze passage, met ons vers, zitten we midden in het bevrijdingswerk, dat Mozes voor God moet uitvoeren: hij moet de farao ervan overtuigen, dat hij het volk moet alten gaan. Vreselijke plagen stelt hij de farao steeds in het vooruitzicht. Maar steeds weer als zo'n plaag wegebt, blijft de farao hardnekkig weigeren het volk te laten gaan. Het gaat er dus om, dat God zijn volk wil bevrijden. En de woorden die wiij lazen komen als een refrein steeds terug aan het begin van het boek Exodus: "Laat mijn volk gaan om mij te vereren". Het vers dat wij gisteren keer op keer herlazen, is in

Die vrijheid zal geen vrijblijvendheid zijn, maar een dienen in vrijheid, dus zonder de knellende banden van de slavernnij. Het dienen van God is een vorm van eredienst, een vorm, zou ik zelf zeggen, van víeren: vieren dat je bij deze God mag horen, dat Hij zich met ons verbonden heeft. Dat geldt voor het volk Israël, het Joodse volk. Maar het geldt voor ieder volk en voor ieder mens dat zijn hoop en vertrouwen stelt op deze God, die wil dat elk mens leeft zonder onderdrukt te worden, zonder de angst niets waard te worden gevonden en in menswaardigheid. Daar hoort een leven in vrijheid bij. En leven in vrijheid, dat moet je durven. Want het betekent dat je het oude achter je laat, terwijl je het nieuwe nog niet kent. Israël deinsde terug voor de vrijheid, op de momenten dat het tot hem doordrong dat vrijheid altijd met verantwoordelijkheid gepaard gaat. Als het echt moeilijk was, lezen we in Exodus, verlangde Israël terug naar de vleespotten van Egypte. En de komkommers waren er ook zo lekker... Leven in vrijheid kan zo lastig zijn, dat je naar de onvrijheid kan gaan terugverlangen, omdat je wel weet wat je hebt, maar niet weet wat je krijgt.

Maar vrijheid is wat God wil, vrijheid in geloof en leven. Vrijheid ten opzichte van onderdrukking en ook vrijheid van onze zonden.

Onze vrijheid krijgen wij van God. Wij krijgen haar als het besef werkelijk als mens iemand te zijn die ertoe doet, een mens die bemind wordt, zelfs als hij dat zelf niet zo ervaart. Wij krijgen haar aangereikt als vergeving, een nieuwe kans om vanuit wat er fout loopt in ons leven, toch weer opnieuw te mogen beginnen, omdat God niet wil dat wij in moedeloosheid wegzakken.

Die vrijheid hebben wij om in geloof en vol vertrouwen God en onze naasten te dienen. Hoe, dat blijft een lastige vraag, die altijd zal terugkomen. En ook, of we wel genoeg doen. Daar kunnen wij over tobben, zeker in het geloof. Maar dat getob is meer ons probleem dan dat van God. Want God houdt niet van ons als beloning voor wat wij goed gedaan hebben of doen. Zijn liefde gaat voorop. Zo schenkt hij ons ook de vrijheid en metd evrijheid geeft hij ons ook het vermogen hem en onze naasten te dienen. Je kunt naar bijbels besef niet vrij zijn zonder ook verbonden te zijn met je bevrijder, met God en in hem met je medemensen. Het is van tweeën één. Zijn liefde, waarin alles wortelt, stroomt van Hem uit door naar ons. Daar mogen wij op vertrouwen. Godsdienst, ook ons eigen christelijke geloof, mag nooit ontaarden in de slaafsheid van het 'moeten', waardoor toch weer van alles opgelegd wordt, dat een mens terneerdrukt. In alles moet de liefde, die God eerst geeft, herkenbaar blijven. Onze liefde tot God kunnen wij  het beste uitdrukken door er voor onze naasten te zijn. En dat in alle vrijheid, die tegelijkertijd gehoorzaamheid is. Belangeloos. Maarten Luther zei het zo, in dat prachtige boekje, over de vrijheid van de christen:

"Een Christen is in vrijheid heer van alle dingen en niemands onderdaad;

Een Christen is in dienstbaarheid een knecht van alle dingen en ieders onderdaan."'

(vertaling Prof. dr. W. J. Kooiman, 1960)

Onze vrijheid krijgen wij van God: hij geeft haar ons in Christus om niet en uit genade, uit liefde ontvangen wij ons bestaansrecht, dat wij niet op eigen kracht kunnen of hoeven te verdienen. Maar dan begint het pas met het dienen en vereren van God: die liefde moet uit ons ook weer verder, kan niet anders dan verder stromen, naar hen die het meer nodig hebben dan God: onze naasten. Als we het zo zien, wordt ons leven in volel rvijheid een en al eredienst aan God, die onze naasten ten goede komt.