RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Onze naaste is ieder mens, in het bijzonder die onze hulp nodig heeft." - Maarten Luther


De preek van zondag 3 maart 2013

E-mailadres Afdrukken

Vorige week kwam het ook al ter sprake: de ware vrijheid is nooit mateloos is, maar kan niet zonder verbondenheid. Verbondenheid met God. Verbondenheid met medemensen.

De vrijheid is een geschenk van God, leert ons de bijbel en alleen in de blijvende verbondenheid met de schenker zal de mens ook tot zijn recht komen in de vrijheid. Zo niet, dan verzandt die vrijheid of erger: dan loopt ze uit op nieuwe slavernij. Dat precies is de kern van het boek Exodus. En ook vandaag zien wij die kern terug in wat wij lazen.

Ons verhaal van vandaag springt een stuk verder in de tijd na vorige week. De uittocht is alweer even geleden en het volk leeft in de woestijn. De Heer zei tot Mozes: hak twee stenen platen uit, gelijk aan de vorige. Dan zal ik op die platen de geboden schrijven die ook op de eerste stonden, die jij stukgegooid hebt.

Gelijk aan de vorige. Want het volk kreeg tot twee keer toe de geboden op stenen platen. 'Stenen tafelen', zeiden we in de oude vertaling. Waarom was dat ook al weer nodig? Omdat Mozes de stenen platen had laten vallen. Hij liet niet uit onhandigheid vallen. Er was een reden voor. Woede. Woede om het gouden kalf.

Dat kalf, dat had het volk gemaakt uit gesmolten sieraden, terwijl Mozes boven op de berg met God verkeerde, in de wolk. Aan Aaron, de tijdelijke plaatsvervanger van zijn broer, vragen ze: "maak een god voor ons die voor ons uit kan gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, dat weten we niet" Aaron gaat akkoord en zo geschiedt het.

We weten hoe het verder gaat. Het kalf komt er en de mensen vereren het. Ze roepen uit: "Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid." Ze herinneren zich nog net dat er iets was met die vrijheid en dat ze die niet aan zichzelf te danken hebben. Maar ja, van Mozes hebben ze al zo lang niets gehoord en van zijn god ook al weer een tijd niet...

Dus dan maken we toch zelf een god?

Verschrikkelijk is het in Gods ogen. Ook Mozes is razend, maar hij haalt nog alles uit de kast om Gods allesverzengende toorn af te wenden. Als hij eenmaal met eigen ogen het kalf ziet, smijt hij de platen op de grond kapot en gooit hij het gouden beeld in het vuur. Er komt een verschrikkelijke straf, dat wel, maar het totale onheil namens God wordt zo afgewend.

Dat doet God omwille van Mozes: want, zegt God,  "ik ben je goedgezind en ik heb je uitgekozen."

Dat is de voorgeschiedenis van de tweede serie geboden op stenen platen. Een herkansing.

Maar, laten we opletten: nu herhaalt zich de geschiedenis niet zonder meer. Want nu is God op z'n hoede, volgens het verhaal. Hij heeft immers met een ander volk te doen dan eerst. Het is een volk dat blijkt niet goed om te kunnen gaan met de vrijheid die het uit Gods handen gekregen heeft. Het bleek niet doorgedrongen te zijn hoe groot die gave van Gods vrijheid is. Het is een te grote luxe gebleken, het kan zijn bevrijder niet trouw blijven.

Omgaan met de vrijheid. Dat is niet alleen voor het bijbelse Israël een harde dobber. Dat is van alle tijden. Ook van de onze. Ook voor christenen, en ook voor lutherse christenen, die de vrijheid zo hoog in het vaandel voeren.

Wat is het toch met vrijheid, dat we er steeds maar niet mee om lijken te kunnen gaan? Waarom verwordt het in mensenhanden toch altijd weer tot nieuwe dwingelandij, zoals de revolutie zijn eigen kinderen opeet?

Als we naar dit verhaal kijken, en dat betrekken op de nog altijd rijke, westerse mensheid waartoe wijzelf behoren dan moeten we misschien wel zeggen dat de vrijheid zélf tot een gouden kalf, een afgod geworden is. We dreigen haar te verabsoluteren en boven alles te stellen. We zien haar als doel op zich en niet meer als middel tot iets groters, waarin wij ons allen, gelovig of niet, zouden kunnen vinden: menswaardigheid, bijvoorbeeld. Vrijheid loopt in mensenhanden het gevaar om mateloos en vormeloos te worden. En vooral gericht op het ik en de eigen groep.

Luthers visie op de christelijke vrijheid is ongeveer als volgt: God geeft ons in Christus de ware vrijheid. Die werkt zo, dat wij onze vrijheid weer terug geven aan God. Pas als wij dat durven, als wij onze vrijheid door God laten invullen, ontvangen wij haar als volmaakte en ongebreidelde vrijheid terug. Dan zitten menselijke vrijheid en de vrijheid zoals God die voor ons bedoeld heeft, op één lijn. God wil ons behoeden voor nieuwe slavernij, steeds weer behoeden voor een nieuw Egypte.

Ik zie in het verhaal van vandaag een parallel wat Luther ons zegt. In het verhaal uit Exodus 34 roept God zijn naam uit over Israël. Hij roept hem uit over het volk dat hem zo verraden had en hem had ingewisseld voor een gouden ding. Die naam is 'Heer', staat ook in de nieuwe vertaling. Je kunt ook vertalen: Eeuwige, of Ene. Wat God betreft betekent die liefde en genade, geduld en trouw, waarachtigheid en vergeving voor schuld, misdaad en zonde... En tegelijkertijd vraagt die naam ook onze inzet en betrokkenheid. God gaat vanuit zijn naam een verbond met ons aan.

Leven in vrijheid met God is leven met de vrijheid ván God. Alleen God is waarlijk vrij. Hier wordt zelfs gezegd door Mozes: 'maak ons tot uw eigen bezit.' Met andere woorden: God is onze eigenaar. Maar dat klinkt voor ons toch totaal ónvrij? Bezit van mensen, dat klinkt naar slavernij. En daarvan had God de Israëlieten toch juist bevrijd, van de slavernij in Egypte? Waarom dat onsympathieke beeld dat dit volk, dat de mensen eigendom zijn van God? Kan dat niet anders?

Ik vermoed, dat het inderdaad niet anders gaat, dan dat wij onze vrijheid in handen geven van God. Alleen dan wordt vrijheid zelf niet iets dat verafgood zal worden. Als wij gehoor geven aan de naam van God, die over ons uitgeroepen is, dan geven wij ons over aan de stem van de bevrijder.

Dat is een eeuwig evangelie en dat staat in Exodus geschreven en het komt terug in heel de bijbel, in de prediking van de profeten en van Jezus en van Paulus en noem maar op: de naam van God, de naam van de vrijheid is uitgeroepen over alle mensen. Over mensen die snakken naar bevrijding uit alles dat hen eronder houdt: mensen en machten, dictaturen en structuren, economisch en sociaal. En ook over mensen - die op het eerste gezicht zo vrij lijken zijn als vogeltjes.

Met Gods naam mogen wij de wereld in. Als verantwoordelijke burgers van dit land en van de wereld. Moge ons bij alles dat wij zelf doen en laten onze ervaring van en onze hoop op Gods liefde, trouw, geduld, waarachtigheid en vergeving voor ogen staan. Zo zal Gods naam steeds met ons meegaan.