RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Zelfs als ik wist dat morgen de wereld zou vergaan, zou ik toch mijn appelboom planten." - Maarten Luther


De preek van zondag 30 juni 2013

E-mailadres Afdrukken

Het zijn vaak de laatst gesproken woorden van wat iemand zegt die blijven hangen, die je het best onthoudt. Zo denk ik dat het ook u wel vergaan is, toen u zonet de vertelling uit het Lucasevangelie hoorde. "Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God." Deze woorden sluiten aan bij wat eerder is gezegd tot die drie mensen die zich aandienen bij Jezus of die worden opgeroepen hem te volgen. Allen krijgen ze min of meer te horen: wie mij wil volgen, moet bereid zijn alle zekerheden op te geven, alles achter zich laten en niet achteruit kijken, maar vooruit. Dat bijft nagalmen.

Het kan heel goed zijn, dat wij het moeilijk hebben met deze woorden. Het klinkt als strenge, veeleisende woorden. We verplaatsen ons al gauw in de man die te horen krijgt: "Laat de doden hun doden begraven". Het zal je maar gezegd worden, in je rouw, als jood die heel goed weet dat het een plicht is de doden te begraven en  wel zo gauw mogelijk. Een werk van barmhartigheid, dat geen uitstel toelaat. En dan word je nog niet eens de tijd gegund om dat ene te doen. Of je mag niet eens je huisgenoten, je familie, gedag zeggen. Elisa, over wie wij lazen, is het wél vergund afscheid van zijn ouders te nemen voordat hij ingaat op het woordeloze roepinsggebaar van Elia, die zijn mantel over hem heengooit. Elisa staat letterlijk met de hand aan de ploeg, met zijn ossen en hij kijkt ook met Elia vooruit naar het nieuwe dat hem wacht, maar mag zich in zekere zin nog wel voorbereiden op wat hem te wachten staat. Hoewel het volgens mij ook heel wat zegt dat hij die ossen slacht en braadt en laat opeten. Ook Elisa moet blijkbaar zijn schepen achter zich verbranden. Navoilging vraagt offers.

De roeping door Jezus is even indringend als die door Elia, maar verdraagt geen enkel uitstel. Wie geroepen wordt, wordt geacht meteen te volgen. Dat klinkt ons, laten we eerlijk zijn, onpastoraal in de oren. Maar om het te begrijpen, moeten we terug naar het begin van deze vertelling. Daar wordt gezegd: "Toen de tijd naderde dat Jezus van de aarde zou worden weggenomen, ging hij vastberaden op weg naar Jeruzalem."

Jezus is dus op weg naar Jeruzalem. Hij gaat er niet zo maar heen. Lucas weet, dat hij er zijn dood tegemoet gaat én zijn verhoging. Van de aarde weggenomen, dat duidt erop, dat het doel van Jezus verder ligt dan de stad Jeruzalem, verder dan doelen die hier en nu door hem verwezenlijkt kunnen worden, zoals van een profeet of een heerser. Het duidt op zijn hemelvaart. En als het over de hemelvaart gaat, gaat het over zijn verheffing tot aan de rechterhand van God. Met andere woorden: Jezus' weg naar Jeruzalem is zijn weg naar de erkenning van zijn messiasschap. De spanning die om hem heen hangt, voor wie hem volgen: zou hij het zijn, is hij Elia, of, de nieuwe Elia of zelfs meer dan Elia, wordt hier nogmaals met ja beantwoord. Ja, in jezus hebben we te maken met dezelfde kracht waarmee God in Elia aan het werk was. Ook bij Jezus gaat het om de toekomst, om een nieuwe werkelijkheid, waar de wereld naar op weg is. Het duidelijkst is dat geworden in het verhaal over de verheerlijking op de berg, waar Jezus omgeven wordt door Mozes en Elia en in een stralend licht komt te staan. Petrus, Johannes en Jakobus zijn er nog net bij, als dat gebeurt. Ze maken nog net mee, hoe er hier en nu, op die berg van het verbond, al iets te zien is van Jezus verheffing, van Gods erkenning van zijn weg naar de neiuwe wereld, de weg van het koninkrijk. Maar ze zien het allemaal nog net iets te politiek, te maakbaar. Als de Samaritanen, die net-niet joden, met hun heiligdom op de tempel Gerizim en hun wantrouwen tegen profeten, als de Samaritanen Jezus niet hartelijk ontvangen, juist omdat hij zo gericht is op Jeruzalem, de stad met de concurrerende tempel, dan stellen Jakobus en Johannes voor vuur uit de hemel af te roepen om hen te verteren. Ook weer een citaat uit het boek Koningen, waarin Elia iets soortgelijks doet. Maar Jezus wijst het af: zo niet. Hij moet zijn eigen weg gaan, als het moet door de afwijzing heen. En bovenal: zijn weg is niet die van vuur en bliksem. Hij houdt zich verre van de wraak. Hij is gekomen om te redden. En bij die redding heeft God iedereen op het oog. Ook de Samaritanen zijn uitgenodigd. Wat dat betreft speelt Lucas met de tehmatiek uit het Eliaverhaal.

Blijkbaar werkt God in Jezus net weer anders. Wie Jezus volgen wil, moet erkennen, dat het door de diepte heen gaat Dat ook Jezus de weg vande afwijzing niet kan vermijden. Hij moet de weg ten einde gaan. Wie hem volgt, moet daarin delen. Dat dat allemaal zo onmiddelijk moet gebeuren, dat er geen uitstel mogelijk is van eerst dit nog doen en dan dat nog, dat wijst op de ernst en de drang die uitgaat van de boodschap van het Koninkrijk van God, die Jezus uitdraagt.

Jezus roept weg van alles wat gericht is op de dood. Hij zegt als het ware: wie mij volgen wil, die is gericht op het leven, op nieuw leven. Hij vraagt ons met hem naar Gods toekomst te kijken. Om met hem de blik te richten naar het volkomen nieuwe dat God deze wereld heeft toebedacht. In Christus worden wij uitgenodigd onze eigen greep op het leven los te laten. In Jezus Christus horen wij, om met Schillebeeks  te spreken, het verhaal van een Levende. Hij wil dat leven met ons delen. Hij is de eersteling van een nieuwe wijze van omgaan van God met de mensen. Een nieuwe schepping. Hij is de mens van Pasen, die gericht is op de opstanding. En wie hem volgen wil, moet gericht zijn op dat leven, al is het zo totaal anders en onvoorspelbaar anders dan wij het ons uit onszelf bedenken. Het leven dat wij uit Gods hand ontvangen en waartoe Jezus Christus ons nodigt, is niet een leven met garanties, waarin ons een stappenplan wordt ontvouwd. Wie Jezus volgt, moet verdragen dat eigenlijk alleen de richting duidelijk is, waar het heen moet. Verder niets.

Daarvoor is nodig, dat wij ons toevertrouwen. Misschien is dat het moeilijkste in het geloof. Je toevertrouwen aan wat God met de wereld, met ons allen samen, met elk van ons voor heeft. Ik vind dat persoonlijk moeilijk, omdat ik niet weet hoe God dat doet, welke ervaringen in mijn leven er wel aan bijdragen, aan dat nieuwe leven met God, aan die toekomstige wereld en welke niet. Dat kunnen we ervaren als onzekerheid, hoe mooi we dat grote perspectief, dat visioen van de nieuwe hemel en nieuwe aarde ook vidnen? Hoe moeten we daarop gericht, dan leven?

Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God. Daar hoor ik dat concrete toch in terug. Wie al ploegend achteruit trekt, trekt scheve voren. Wie vooruitkijkt , gaat recht. Dat komt het werk ten geode. Wij hebben een eprspectief nodig. Wij worden wel degelijk gevraagd aan het werk te gaan, concreet te leven met het evangelie vanuit die blik vooruit naar Gods koninkrijk, die blik op het leven. Het koninkrijk valt niet samen met wat na onze dood geschiedt. Jazeker, het gaat om méér dan een louter aardse toekomst, maar het gaat ook om wat Gods koninkrijk hier en nu betekent. Hoe het ons handelen motiveert tot recht en gerechtigheid in menselijke verhoudingen. Hoe ons leven wordt geregeerd door het leven en niet door de dood. Wat dat betreft vind ik die reclame van de humanisten nogal flauw, hoe knap ook gevonden: "Gelooft u ook meer in een leven vóór de dood?" vraagt men daar, in een slecht verborgen spot met mensen die in een hiernamaals geloven. Maar in de prediking van Gods koninkrijk, - zijn koningscháp -, vertaalt Oussoren, is die tegenstelling eigenlijk helemaal niet aanwezig. Geloven in een leven voorbij aan de grenzen van de dood heeft evenveel te betekenen voor ons leven hier en nu, als met het geloof in wat nog mogelijk is voor God, als al onze menselijke mogelijkheden stuk gelopen zijn op de onverbiddellijke dood.

God wil het leven laten regeren. Zelfs als er voor ons en in de wereld als geheel  zoveel dood is en alles vastgelopen lijkt. Hij wekt ons op, om het voorbeeld van Christus te volgen en met geloof naar ons eigen bestaan te kijken, om te ontdekken, hoeveel tekenen van leven daar zijn en om zo vol vertrouwen de weg van het geloof te gaan. Misschien is daarbij een mooi motto: "doe wel en zie niet om".