RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God is dan het dichtst nabij als Hij het verste weg schijnt te zijn." - Maarten Luther


De preek van zondag 10 november 2013

E-mailadres Afdrukken

uitleg en verkondiging bij Jesaja 61:1-3,10-11  en Matteus 22:1-14

Waar gaat deze gelijkenis in hemelsnaam over?
Wat een vreemd verhaal - het begint zo mooi, met een koning die een feest wil geven omdat zijn zoon gaat trouwen. Maar alles gaat mis. De gasten willen niet komen; daarom nodigt de koning mensen van de straat uit. Die komen wel. Gelukkig wel...maar zijn ze écht welkom zoals ze zijn of is er een strikte dresscode, moet je een galajurk of smoking aan om erin te mogen? Waarom vertelt Jezus deze gelijkenis? In het gedeelte dat Matteüs hiervóór heeft geplaatst wordt hem door schriftgeleerden gevraagd: wie heeft jou de bevoegdheid gegeven om te doen en zeggen wat jij doet? Op wiens gezag spreek je eigenlijk?

Jezus is na een lange tocht in Jeruzalem aangekomen, het centrum van de geestelijke en staatkundige macht. Hij heeft de geldwisselaars uit de tempel gegooid - dat heeft kwaad bloed gezet bij de godsdienstige leiders. Ze willen wel van die oproerkraaier af. De zaak komt op scherp te staan. En dan vertelt Jezus een gelijkenis waarin hij zijn hoorders voor een duidelijke keuze stelt. Ook hij zet de zaak op scherp.

De laatste zin van deze gelijkenis zouden we maar het liefst overslaan, maar misschien ligt juist daarin een sleutel om het te verstaan. Deze zin knarst in je oren: velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren. Dat is een uitspraak waarmee veel kwaad is gedaan in de geschiedenis van de kerk. Een uitspraak als een oordeel, die verlammend heeft gewerkt: al doe ik nog zo mijn best voor God, ik moet maar afwachten of ik erbij hoor. Geloof ik wel genoeg? Hoe weet ik of God mij accepteert zoals ik ben?

Maar als je kijkt naar de grote lijn in de bijbel, van Genesis t/m Openbaring, dan
kan zo'n uitleg toch niet kloppen? Die grote lijn is voor mij dat God al zijn
mensenkinderen liefheeft, dat Hij niemand van ons wil en kan missen. Gods
liefde is voor jou - en voor u en voor mij, zoals we bij het Avondmaal iedere
keer mogen horen. Niet vaag algemeen, liefde voor de mensheid, maar heel
persoonlijk. Voor u en voor mij. Oordelen, véroordelen, uitsluiten: dat is
mensenwerk. We sluiten elkaar uit en soms ook onszelf. Als je kijkt naar de
grondtaal, het Grieks, dan kun je deze zin ook anders vertalen, i.p.v. velen zijn geroepen, maar slechts weinigen
uitverkoren   zó: allen
zijn geroepen - maar weinigen láten zich roepen. Van passief - je wordt
uitverkoren of niet - wordt je rol nu actief: jij wordt geroepen, geef antwoord
door jouw wijze van leven!

Laten
we met deze woorden in onze oren teruggaan naar de gelijkenis.

Als
de genodigden niet willen komen dan worden anderen geroepen. Die anderen, wie
zijn dat eigenlijk? Vroeger werd dat in de kerk zo uitgelegd, dat wij die
mensen zijn. Wij christenen. Degenen die de uitnodiging van de koning in de
wind sloegen, dat waren de joden, en daarna is de koning, God, verder gaan
zoeken en kwam terecht bij de niet-joden, bij ons dus. En zo zitten wij hier:
gerust en zeker, want wij hebben de uitnodiging niet in de wind geslagen. Die
tweedeling zorgde voor een diepe kloof tussen Israel en de Kerk en was een bron
van antisemitisme. Die heilloze visie, met als gevolg onder meer de verkoop van
losse nieuw testamentjes, is helaas nog niet overal losgelaten. Zo kan en mag
het niet. Jezus polemiseert  met de
godsdienstige leiders van toen en dat ging er over en weer niet zachtzinnig aan
toe. Een soort binnenkerkelijke discussie, zo kun je dat noemen. En bovendien:
Jezus was geen christen, maar een jood, een kritische jood. Het verhaal heeft,
zoals alle gelijkenissen, meerdere lagen.  Jezus vertelt gelijkenissen, beeldverhalen,
juist om zijn hoorders op een andere manier te laten kijken. Naar zichzelf,
naar God, naar hun naasten. De gelijkenis nodigt ons uit om mee te doen in het
verhaal: waar sta jij, welke rol kies je?

Er
is een koning die een bruiloftsfeest organiseert voor zijn zoon. Hij nodigt
eerst zijn vrienden en bondgenoten, mensen die hij kent. Wie zijn die vrienden,
wat weten we van hen? Eigenlijk alleen dit: ze vinden het feest niet
belangrijk, ze negeren de uitnodiging en gaan terug naar hun akker en handel.
Ze gaan dus door met waar ze altijd al bezig waren: hun akker en hun handel.
Juist dit laatste, dat ze doorgaan met
waarmee ze altijd al bezig waren zette me aan het denken. Want nu zijn wij de hoorders en worden wij genodigd.
Vinden wij de uitnodiging voor het feest van de Koning belangrijk? Of gaan we
door met waar we altijd al mee bezig waren? Wat is ónze akker, onze handel,
onze prioriteit? Het Rijk van God, tja, ik hoop dat het komt, maar ik moet eerst
nog zoveel. Mijn agenda staat vol afspraken, de mailbox zit vol berichten waar
ik nog op moet reageren, ik moet m'n klerenkast nodig opruimen en ik heb nog
steeds niet gebeld naar mijn vrienden die vroegen wanneer ik toch eens kom. En
ik wil ook wel eens even rust, niks hoeven.

Waarom
zijn we vandaag naar de kerkdienst gekomen? Willen we bevestigd worden in wat
we toch al geloven en denken of willen we echt ons dagelijks leven onderbreken
om gehoor te geven aan de uitnodiging van de Koning, ook al maakt die ons  onrustig? Willen we straks naar huis zoals we
hier kwamen óf verlangen we ernaar om ándere mensen te worden, wakkerder,
krachtiger, met nieuw élan.

In
de gelijkenis mag het leven van de eerste genodigden niet gestoord worden;
koste wat het kost willen ze dit handhaven. Ze gaan daarbij zelfs over lijken -
want als de Koning aandringt op de uitnodiging voor de bruiloft vermoorden ze
de boodschappers.

De anderen, die daarna gevraagd worden, die er niet op gerekend hadden, die
willen wel. De zaal is al gauw vol mensen, uit alle hoeken en gaten, wie en hoe
ze ook zijn, zonder onderscheid. Alle gasten hebben mooie bruiloftskleren aan,
het feest kan beginnen.

Een
bruiloft, dat is in de bijbel altijd een beeld voor het leven zoals God dat
bedoelt: het leven moet te vieren zijn! Maar het kan alleen echt gevierd worden
als iedereen er volop deel aan kan hebben.

Eén
bruiloftsgast valt uit de toon: hij zit daar in zijn gewone kloffie en dat
wordt gezien door de Koning. "Waarom heb jij geen bruiloftskleed aan?, vraagt
de Koning. En daarop wordt de man, die hier niets op weet te zeggen, hardhandig
naar buiten gewerkt.

Geen mooie
kleren aan? Zo erg is dat toch niet? Je mocht toch komen zoals je was? Wat wil
Jezus hiermee zeggen?

Een bruiloftskleed kreeg je indertijd van de gastheer van een feest. Zodat
iedereen gelijkwaardig was, arm of rijk. De gasten konden zich bij aankomst
wassen, het stof van de dag afspoelen en daarna lag er voor ieder een mooi
kleed klaar. Eén gast wil dit kleed dus niet aantrekken. Hij wil  niet meedoen, hij heeft het geschenk van het
bruiloftskleed niet willen aannemen - en dan is er voor hem geen plaats meer.
Hij kan niet meefeesten met de anderen. Daarmee sluit hij zichzelf buiten. Daar
zit hij dan, in z'n eentje in het donker.

Maar wat betekent dat dan allemaal? Waarom is dat kleed zo belangrijk?
Bijbeluitleggers hebben daar van alles over bedacht.  Luther meende dat het ware geloof zélf het
feestkleed is.  Zijn roomse tegenstanders
zeiden dat het om een uitwendig, dus goed zichtbaar kleed gaat, dus dat hier
natuurlijk de goede werken bedoeld moeten zijn.

Jezus richtte zich met deze gelijkenis in de eerste plaats tot de
Schriftgeleerden. Bijbelgetrouw als ze zijn hebben ze vast meteen aan het kleed van de gerechtigheid gedacht,
waarover Jesaja spreekt: Hij  (God), deed mij het kleed van de bevrijding
aan, hulde mij in de mantel van de gerechtigheid,zoals een bruidegom een
kroon opzet, zoals een bruid zich tooit met haar sieraden. Vlak daarvoor
had Jesaja het ook over feestkledij in
plaats van verslagenheid, als belofte voor mensen die onrecht moeten
lijden.

Zou je het zo kunnen verstaan: de gasten op de bruiloft zijn gekleed in een
mantel van gerechtigheid. Ze wachten nog, de koning is er nog niet, maar zij
hebben alvast hun mantel van gerechtigheid aan, omdat ze weten dat alleen zo
een feest mogelijk is voor iedereen. Was dat misschien ook de reden dat de
eerstgevraagden de uitnodiging negeerden? Je kunt niet vrijblijvend naar de
bruiloft, er wordt van je verwacht dat je je kleedt met gerechtigheid. Het kost
dus wel wat. Je kunt niet feestvieren en tegelijk zomaar doorgaan met je eigen
akker en handel. Allen zijn geroepen, maar weinigen laten zich roepen...

Welke rol spelen wij in dit verhaal? We zijn als gemeenteleden misschien
wel als de dienaren van de koning, die namens hem uitnodigend in het leven
mogen staan. Want iedereen moet uitgenodigd worden om het leven te vieren!
Niemand mag buiten de boot vallen. Tegelijk zijn we ook genodigden. We
slaan  de mantel der gerechtigheid om ons
heen en dat betekent dat we  ons hart
openstellen voor anderen. Dat we kijken vanuit mededogen, meewerken aan
eerlijke handel en producten kopen die op schone, gifvrije akkers verbouwd
zijn. Dat we de kiloknallers en plofkippen laten liggen. Het betekent anders
denken, anders kiezen, consuminderen. In het voetspoor van de vreugdebode recht
doen. Zodat recht en vrede elkaar met een kus kunnen begroeten,zoals we zongen
in Psalm 85.

En dan nog iets: op het feest waar iedereen welkom is, daar kan het wel
eens heel vol worden. Met mensen die óók een toekomst voor hun kinderen willen,
met Somaliërs, Syriers, Bulgaren. Delen, eerlijk delen, dat kost wel wat, het
kost heel wat.  Het evangelie maakt ons
vrij, maar laat ons niet vrij, het maakt ons onrustig, heilzaam onrustig....

Heilzaam onrustig....dat bracht me op het lied dat we gaan zingen, waarvan
ieder couplet eindigt met een vraag - je moet verder zingen. Zelfs in het
laatste couplet, waar geen vraagteken meer staat, houdt de slotnoot de  beweging in gang,en maakt ons heilzaam
onrustig. Wat vraagt de Heer nog meer van ons dan dat wij recht doen en trouw
zijn en wandelen op zijn weg?

Amen

(Liedboek 2013 lied 992)