RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"

Ons leven is een leven midden in de dood. En toch blijft ook midden in de dood de hoop op het leven aanwezig.

" - Maarten Luther


De preek van zondag 17 november 2013

E-mailadres Afdrukken

De Sadduceeën, die een elitaire en sectarische groep vormen rond de tempel, willen met Jezus in discussie over de opstanding. Dat wil zeggen: ze willen hem met een nogal ver gezochte casus in verlegenheid brengen. Zelf geloven ze niet in de opstanding van de doden e ook niet in engelen- stel je voor zeg, wat naïef - maar van Jezus weten ze dat hij, net als de Farizeeën en veel ander schriftgeleerden wel geloven dat er bij God opstanding is. Nou, laat Jezus de tanden van zijn verstand dan maar eens stuk bijten op een casus rond het zwagerhuwelijk:. En ze beginnen: "als een gehuwd man sterft, zonder dat zijn vrouw kinderen heeft gebaard, moet zijn broer met die vrouw trouwen en nakomelingen verwerken voor zijn broer. Nu waren er zeven broers..."

Uit het vervolg blijkt, dat hun bedoeling is, Jezus' geloof in de opstanding belachelijk te maken: "Tenslotte stierf ook de vrouw. Wiens vrouw is ze dan bij de opstanding?" Toe, Jezus, jij gelooft toch zo in de opstanding? Leg ons dan maar eens uit hoe het zit...

Het is de vraag van de rationalisten aan de
mensen die 'nog' geloven. De vraag van hen die alleen aannemen wat feitelijk
waarneembaar of bewijsbaar aan hen die het leven met andere ogen bekijken en
die het woord 'geloven' gebruiken als ze willen aangeven hoe het ongeveer zit
met hun manier van in de wereld staat. Een mengeling van verwondering,
dankbaarheid, eerbied en hoop, die ze niet geheel en al of misschien wel
helemaal niet kunnen verklaren. Maar hun geloof is een antwoord op een stem,
die op hun afkomt vanaf een andere zijde van wat zij hier en nu ervaren en
begrijpen. Een antwoord als dat van Mozes, op de stem uit het vuur, die zijn
naam roept: "ik luister'. Een ontvankelijke houding, een hoopvolle houding,
waaruit de verwachting spreekt op meer dan hier en nu alleen en is dit alles.

In Jezus' antwoord gaat het er niet om het hoe en wat van
de opstanding precies te duidelijk te maken of de overgang van leven op aarde
naar leven in de komende wereld. Dat is en blijft speculatie, waarvan wij
mensen, gelovig of niet, niet met het verstand kunnen  begrijpen wat het is. Jezus geeft de Sadduceeën
een koekje van eigen deeg. Hij wijst hen op het verhaal over Mozes en de
brandende struik uit het boek van Mozes "in het begin", Genesis. Want Jezus
wist op zijn beurt iets over de Sadduceeën: namelijk dat zij zich alleen aan de
Torah, de eerste vijf boeken van de bijbel, hielden en niet aan wat zij als
latere de aangroeisels beschouwden: profeten en geschiften, laat staan dat zij
iets op hadden met de uitleg die farizeeen, schriftgeleerden en zo'n rabbi uit Nazareth
eraan gaven. Nou, kijk dan maar eens goed wat daar staat, heren, bij Mozes.

En waar gaat het dan over? Jezus zegt dat het gaat over
"...de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob. Hij is geen God
van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven".

Jezus maakt die vraag over vage speculatie tot een vraag
naar de kern van het geloof: Wie is God voor ons mensen? Is hij de betrouwbare,
die meegaat in alle levensnood en zelfs tot in de dood en daaraan voorbij, of valt
hij samen met ons eigen begrensde denken en voelen. Is God eigenlijk alleen een
idee van mensen? Jezus draait de zaak om: Wat zeg je eigenlijk over God, als je
zegt dat er géén opstanding is?

God heeft zich verbonden met Abraham en zijn nageslacht.
Hij blijft hun God, al leven zijn niet meer hier en nu op aarde. Zij zijn
gestorven, dat is waar, maar zij horen daarom niet minder met God. Dus als God
tot Mozes spreekt over Abraham, Izaak en Jakob, dan zijn dat mensen die voor
Gods aangezicht leven. Dan weet Mozes: deze God wil er voor mij en mijn volk
zijn, hij heeft weet van hoe wij lijden, hij zal ons bevrijden. Gods stem uit
het vuur spreekt tot ver buiten de doornstruik. Het is een roepstem tot ons allen,
ja, tot levenden en gestorvenen. Als wij al vinden, dat levenden en gestorvenen
bij elkaar blijven horen en samen genoemd mogen worden, zoals volgende week, op
Eeuwigheidszondag, hoeveel te meer geldt dat dan voor God?

God is een God van levenden. Wie God zegt, zegt leven.
Niet, dat de dood er niet is. Natuurlijk is die er, onmiskenbaar. Ook velen
onder u zijn getekend door de dood. Maar nog wezenlijker dan de realiteit van
de dood is, dat God zelf opstaat tegen die dood en ruimte maakt voor veel meer
dan het hier en nu, ruimte maakt voor het leven voorbij aan de grenzen van de
dood. Dat leven is van een andere orde dan wat wij nu kennen, zo huwt er niet
en wordt men er niet uitgehuwelijkt, zegt Jezus. Wij kunnen het niet begrijpen,
maar het is als die stem uit het vuur: het komt op ons toe van de overzijde,
van bij God vandaan, als een hoopvol nieuw geluid, dat getuigt van een werkelijkheid,
die nieuw en eeuwig is, van een andere orde, dat ons leven hier en nu zin geeft
en samenhang, dat ook de reeds gestorven roept en dat óns doet hopen op meer
dan het hier en nu, op een toekomst bij God. God is het leven zelf, het leven
is uit hem , het keert tot hem terug en hij maakt het nieuw.

Ik zal er zijn, dat is Gods naam, krijgt Mozes te horen
om het verder te vertellen. Die naam omspant alle generaties, omspant verleden,
heden en toekomst. Hij wordt ook ons nog altijd toegesproken, zoals in de doop,
vandaag hier bediend aan Leonie en Liselot, als hoopvol teken dat hun leven
elke dag nieuw mag worden en ook ooit zal delen in de totale vernieuwing van de
wereld. Hij wordt elk van ons gegeven als zegen, die straks voor ons allen
klinkt.