RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God is dan het dichtst nabij als Hij het verste weg schijnt te zijn." - Maarten Luther


De preek van zondag 9 februari 2014

E-mailadres Afdrukken

OVERDENKING BIJ JESAJA 43 VS 9 T/M 12 EN MT 5 VS 13 T/M 15

De kracht van het evangelie is het persoonlijk voornaamwoord, heeft een theoloog, Noordmans, eens gezegd. Nu, onze lezing begint meteen met zo'n persoonlijk voornaamwoord: jullie.

Jullie zijn het zout van de aarde. Jullie zijn het licht in de wereld zegt Jezus. Hij is op een berg geklommen om de mensen iets over God te vertellen. De mensen zullen van hem verwachten van hem dat hij, de meester, hen nu eens zal vertellen wie God is en wat Hij doet. In plaats daarvan gaat hij hen vertellen wie zij zelf zijn. Jullie zijn het zout van de aarde zegt hij, jullie zijn het licht in de wereld.

Deze beelden zijn niet nieuw. Door de rabbijnen werd de Thora zout genoemd. En God werd licht genoemd. Licht, het is nog steeds een van de meest gebruikte beelden voor God.  Hier is het niet het woord van God dat zout genoemd wordt maar zijn het mensen. En niet God is het licht in de wereld, maar mensen zijn dat. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik schrik telkens van deze woorden. Moet ik, kan ik dat zijn? Zout en licht?  Wat als, inderdaad, het zout zijn kracht verliest? Wat als het licht niet meer schijnt? Dat lied dat we net gezongen hebben roept bij mij ook dubbele gevoelens op. Laat ons het zout der aarde zijn, het licht der wereld klaar en rein. Is dat geen al te mooi plaatje, geen lachwekkend hoge pretentie?

Waar blijft God als er geen mensen meer zijn die in Hem geloven?Dat zou je de kernvraag kunnen noemen van onze beide teksten. Waar blijft God zonder mensen die zijn Naam werkelijkheid willen laten zijn? Ook in de profetie van Jesaja klinkt steeds het woord  jullie. Jullie zijn mijn getuige, laat de profeet God zeggen tegen het volk Israël  dat Ik werkelijk God ben. Hoe moet het met God als er geen getuigen meer zijn?

Hangt het bestaan van God in deze wereld van mensen af? Als de kerk verdwijnen zou, als mensen op zouden houden Gods naam te noemen, zou God er dan ook niet meer zijn?

Dat zou mensen een hele zware verantwoordelijkheid geven. En Gods bestaan een wel heel wankele basis. Want wat halen mensen wel niet allemaal met God uit?  Juist als mensen zich geheel met God en Zijn zaak identiceren zie je altijd dat ze dwingend worden en niet meer kritisch naar zichzelf kunnen kijken. Grote pretenties, kramp, verbetenheid, humorloosheid en onvrijheid gaan dan alles bepalen. En waar blijft God dan?

Toch staat het er: Jullie zijn het zout, jullie  zijn het licht. Er staat niet zo maar zout of zo maar licht. Zout der aarde, licht van de wereld. Misschien moeten we eerst eens beter kijken naar dat woord wereld. Het geeft een verbinding aan. Je maakt als mens deel uit van de wereld. Een wereld die allerlei heel verschillende, en soms zeer tegenstrijdige gevoelens in je oproept: verwondering, verwarring, blijdschap, woede, angst, afkeer. Om in contact met heel die werkelijkheid te staan zou je eerst maar eens moeten proberen om die verschillende gemoedsbewegingen in jezelf toe te laten en de spanning ervan uit te houden. Als je dat niet doet en je gevoel te snel in een bepaalde richting dwingt, snijd je je zelf af van de volle werkelijkheid. En daarmee sluit je je ongewild ook af van een kracht die middenin die werkelijkheid zich openbaart. De scheppende en reddende kracht van het goede, dat wat van God komt.

Het is het goede, zo vertelt ons het bijbelse verhaal, waarmee het begon, dat voorop staat, dat het meest wezenlijke is, het meest oorspronkelijke, en dat door God in Zijn schepping en in de mens is gelegd. Als je wilt begrijpen wat de mensen in de wereld drijft, ga dan op zoek naar het goede, dat soms bijna onherkenbaar verborgen gaat achter waanzinnige en onbegrijpelijke dingen. Zelfs op plekken waar werkelijk niets goeds meer lijkt te vinden kun je ernaar op zoek gaan. Om een heel klein beetje te kunnen begrijpen wat bijvoorbeeld zelfmoordterroristen drijft moet je op zoek gaan naar een goed dat hen naar hun idee ontnomen is, of waarin zij zich bedreigd voelen, bedrogen. Hoe verkeerd verstaan, hoe verwrongen, hoe vergiftigd dat goed ook is. Begrijpen is zeker niet hetzelfde als goedpraten. Maar het helpt om voor ogen te houden dat er altijd een oorspronkelijk goed is waarnaar mensen verlangen en dat hen in beweging zet.

Voor 'goed' kun je 'God' denken. Iemands goed is zijn god. Of afgod. Het is deze verbinding tussen 'goed' en 'God' waar het om draait in onze teksten. In wat je doet, in je daden, zegt Jezus in de bergrede, wordt voor anderen zichtbaar in welk goed, in welke God je nu eigenlijk gelooft. En Jesaja zegt hetzelfde. Door jullie getuigenis, laat Jesaja, God zeggen, wordt duidelijk wie Ik ben. Jullie zijn mijn getuige dat Ik God ben en niet een ander. Het is jullie taak dat  zichtbaar te maken in de wereld.

Om deze verbinding gaat het ook in de zaligsprekingen en waar deze tekst over het zout en het licht onmiddellijk op volgt. Iedere zaligspreking is een verwijzing naar het goede, waar de verschillende mensen die daar gelukkig geprezen worden op zijn gericht. Achter dat goed wordt de God zichtbaar waarin deze mensen geloven. Ook en juist als zij dat goed moeten missen, zoals de treurenden, zoals wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, zoals wie vervolgd worden, getuigen zij juist in hun gemis van de grote waarde van het goede waarop zij zich gericht weten. Zij maken iets van God zichtbaar en ze worden er zalig om genoemd.

Niemand zou weet hebben van Gods barmhartigheid, als er geen mensen waren in deze wereld die door die barmhartigheid bewogen worden en proberen om barmhartig te handelen in vaak onbarmhartige omstandigheden. Niemand zou weten van een God van vrede als er geen mensen waren die proberen vredesstichters te zijn in situaties van vijandschap. Dat is het verhaal van de Bijbel: hoe in aardse, sterfelijke, onvolmaakte mensen iets van God te zien is, hoe zij God als het ware belichamen. Zonder die menswording blijft God onzichtbaar, is Zijn naam een leeg woord, een abstract idee dat ergens boven de werkelijkheid zweeft.

In de kerk geloven wij in een God die in de wereld Zijn plaats heeft ingenomen.

Het is een mens van wie we belijden dat hij de werkelijkheid van God belichaamd heeft, die met alles wat hij was onderdak geboden heeft aan de Geest van God, die hier spreekt. En Hij noemt niet God het licht, en niet Zijn woord het zout, maar de mensen die hij hier voor zich heeft, zijn leerlingen en iedereen die maar naar hem wil luisteren. Jullie zijn het zout van de aarde, jullie zijn het licht in de wereld.

Je kunt van die woorden schrikken en je zwaar overvraagd voelen. Je kunt wrevelig worden van deze hoge pretenties. Maar deze beelden zijn in feite eerder nederig dan pretentieus.

Zout vind je niet meer terug, het wordt opgenomen door het voedsel. Het is er wel, maar het doet zijn werk zonder dat je het ziet. Dat werk bestaat uit het aangaan van een verbinding met de omgeving.

In de beelden van het licht, gevolgd door de stad op de berg en de lamp op de standaard, klinkt meer zichtbaarheid en zelfbewustheid door. Maar ook licht wijst van zichzelf af, het maakt niet zichzelf, maar iets anders zichtbaar: God, het goede, dat wat leven geeft.

Het gaat er niet om dat wij als christenen, als kerk zichtbaar zijn in de wereld en onszelf profileren, zo van: Kijk eens naar ons, of: Zien jullie ons nog wel? Het gaat erom dat wij als mensen die willen geloven in God en het goede waar Hij voor staat en die Jezus willen volgen leren om ons steeds dieper te verbinden met de wereld waar wij deel van uitmaken en die ons met verwondering, vreugde, verwarring, woede, angst en afkeer kan vervullen. Om in onszelf en in die wereld het goede dat van God komt  ruimte te bieden, zichtbaar te maken en te versterken, krachtig te maken. Daartoe helpe ons God.