RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Zorg, dat ik niet alleen kan bidden met de mond. Help mij dat ik kan bidden uit het diepst van mijn hart." - Maarten Luther


De preek van zondag 23 februari 2014

E-mailadres Afdrukken

Wij vervolgden vandaag onze lezing uit de bergrede. Jezus  legt met name de wet, de Torah, de boeken van Mozes uit aan zijn gehoord. Hij doet dat vanaf wat Matteüs 'de berg' noemt, waarschijnlijk een heuvel, waarvan Jezus de helling beklom om iets hoger te zitten om beter gehoord en gezien te worden. Hij doet dat als leermeester, rabbi, maar van meet af aan geeft Matteüs hem de uitstraling van Mozes zelf. Alsof hij zeggen wil: deze is een nieuwe Mozes, hij heeft óók bevrijdende woorden door te geven aan dat volk onderaan de berg. Zoals Mozes van de berg Horeb kwam met de tien geboden, zo komt ook Jezus hier met woorden van gezag, beginnend met de zaligsprekingen en daarna de catechese, zou je kunnen zeggen, bij de Wet. En de wijze waarop hij dat doet is eigenlijk verglijkbaar met 'mondelinge Torah', zoals dat inde rabbijns-joodse traditie heet, een gezaghebbende interpretatie van de Torah die niet alleen respect afdwingt, maar ook tot navolging oproept. En al die woorden die hij daarbij spreekt, hebben, net als de wetten waarop ze commentaar geven, te maken met de vraag: hoe zullen wij leven, als wij belijden te leven met God?

God, die is niet zomaar een god, zoals er vele zijn in de wereld van toen - of van nu- en ook geen hoogverheven God, die ergens ver vandaan alles in de gaten houdt, maar dat is de God van Israël, de bevrijdende God, die zijn volk weggeleid heeft uit de slavernij in Egypte. Een God van concrete daden van gerechtigheid, die oproept tot daden van gerechtigheid. Een God dus, die om mensen bewogen is en in zekere zin een partijdige god is: Hij is namelijk de God van de ontrechten en verdrukten allereerst en vandaaruit voor iedereen. Maar die volgorde is belangrijk. De farao, of welke potentaat ook - ook als iets van die potentaat zich in onze eigen inborst bevindt - zal zich eerst moeten realiseren dat dit zo is, dat God zich eerst en vooral om de mens die zwakker staat bekommert, voordat hij ook deel mag weten van de beweging die God met mensen gaat. Dat zien we bijvoorbeeld duidelijk aan wat we lazen in Exodus 22, waar we horen, dat vreemdelingen niet mogen worden onderdrukt en dat weduwen en wezen niet mogen worden uitgebuit. Ook het lenen van geld of het innemen van een onderpand, moet zodanig gebeuren, dat ook hier Gods normen voor de medemenselijkheid in doorklinken. Gerechtigheid, daar gaat het God om.

Op dit spoor gaat Jezus verder, ja, het lijkt alsof hij de woorden van de Wet intensiveert, met het oog op de situatie van zijn hoorders, al die gebutste en geplaagde mensen, die van overal vandaan hem gevolgd zijn en nu hier de woorden uit zijn mond indrinken.

Geen valse eed afleggen, dat hebben ze geleerd. Je mag God niet lasteren, dus neem zijn naam niet zomaar in je mond. Maar Jezus zegt: je moet helemaal niet zweren, want waar je ook bij zweert, het komt alles van God en het is van God. Je bent helemaal met God verbonden, dus is er geen sfeer waar God niet bij betrokken is. Laat God dus buiten jouw gepoch of je gewichtigdoenerij. Houd het gewoon bij wat je zelf kunt waarmaken. "Laat jullie ja ja zijn en jullie nee nee, wat je daaraan toevoegt, komt voort uit het kwaad." Alsof Jezus zegt: het  klinkt misschien wel vroom, als je overal God bij haalt, maar juist dan loop je de kans hem voor te lasteren, juis dan span je God voor je karretje.

Tweede voorbeeld: 'Oog om oog, tand om tand'. Dat kennen de mensen uit de Wet om ervoor te zorgen dat mensen niet tomeloos hun wraakzucht uitleven, dat er ook een maat gehouden wordt in de wijze van straffen. Dat was al humaner dan er vaak geburde, voordat de mozaische wetten golden. Maar Jezus zegt: "En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen  wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook je linkerwang toe te keren." Jezus gaat dus nog weer verder om de wraakzucht in te dammen, die overigens best terecht kan voelen, dat bestrijdt hij helemaal niet. Maar bedoelt hij nu: laat maar over je heen lopen? Dat zou je ook kunenn zien als een slape, maar vooral gevaarlijke knieval voor het kwaad? Ik vond een uitleg bij Thom Naastenpad, die me erg aanspreekt. Als iemand jou op de rechterwang wilt slaan - en we gaan ervanuit dat diegene dan rechtshandig is, dan zou het eigenlijk heel goed kunnen dat hij achter je staat. Hij valt jou dus van achteren aan, de lafaard!

Als je hem dan ook de linkerwang toekeert is dat niet zozeer om ook daar geslagen te worden, maar om oog in oog met hem te staan, als zijn medemens, zijn naaste. Zo kun je hem als het ware ontwapenen: jij draait je om en je laat jezelf zien. Je zegt als het ware: waar ben jij mee bezig?

Dit is volgens mij ook de ratio achter het pacifisme en ieder echt vreedzaam protest: hier zijn wij, wij laten ons zien, wij confronteren de machthebbers en de machtsmisbruikers met ons menszijn, met ons ware gezicht. Laat nu dat van jou ook maar zien, als je durft. Zo zijn velen de protesten tegen dictators geboren, zoals ook in de Oekraine. Tegelijkertijd kan zo'n protest ook meteen weer ontaarden en dreigt het steeds opnieuw in zijn tegendeel te verkeren.

En dan dat woord van Jezus: "heb je vijand lief en bidt voor wie jullie vervolgen. Dat is de moeilijkste, zou je zeggen. Jezus rekt de naastenliefde op tot het punt waarop het elastiek dreigt te knappen. Wie kan dat echt? Dat kun je toch niet voorhouden aan mensen die hun menselijkheid vertrapt zien door wie wel degelijk hun vijanden zijn? Is dat welbeschouwd geen masochisme, alsof het slachtoffer de beul moet liefhebben? Je denkt dan al gauw in de heel grote extremiteiten waarin mensen het kwaad belichamen en denkt dan: hoe kan dat. Maar ik denk dat we in de eerste plaats weer moeten kijken naar waar de bergrede voor bedoel is, namelijk ons te richten op de vraag: hoe leven wij, als wij belijden te willen leven met God?

En dan helpt eigenlijk alleen het beroep op God zelf, dat hier door Jezus wordt gedaan. God laat de zon opgaan over slechte en goede mensen. Zo moeten wij met mensen met wie wij het moeilijk hebben, ja, die we als onze vijanden beschouwen, omgaan op een manier die lijkt op Gods omgang met alle mensen, zowel ons dus, als onze vijanden. We moeten ook onze vijanden blijven zien als mensen voor wie Gods liefde ook bedoeld is, die alleen God geheel en al kent, omdat wij hen hooguit ten dele kennen.

Leven vanuit het geloof, dat spreekt uit de bergrede, is een leven, dat eerst en vooral de vraag naar Gods wil stelt en dat meteen probeert te vertalen in 'hoe leef ik dan met mijn naasten'. In dat leven moet die liefde beoefend en geoefend worden, juist ook in situaties, die ons niet licht vallen.

En dan tot slot, die woorden, die alles nog verder onder druk lijken te zetten: "Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is."

Volmaakt. Wie is volmaakt behalve God? Wat is dat voor ondoenlijke eis? Is dat nu waar het op aankomt? Perfect te moeten zijn? Vraagt God dat nu toch van ons, dat wij zonder fouten, zonder onvolkomenheden zijn? Dan kunnen wij wel inpakken en ook de lutherse prediking, met haar nadruk op de rechtvaardiging van de goddeloze mens, de mens die nu juist allesbehalve perfect is en er desondanks voor God mag zijn.

Ja, toch: volmaakt, maar wat betekent dat woord volmaakt eigenlijk? Dat beteknt niet foutloos, maar eerder: heel, onverdeeld, volkomen. Wat helpt is te kijken naar Deuteronomium 18: 13, waar staat: 'U moet volledig op de Heer, uw God gericht zijn.' Dat is de betekenis van volmaakt: geheel op de Heer, uw God gericht zijn en daarmee, ook in de relatie tot elkaar, op de naasten, tot het uiterste gaan, om daarmee tot je doel, je bestemming te komen. Volmaakt, onverdeeld, heel: het gaat erom je te focussen, te concentreren op God, die goed is voor slechte en goede mensen. Het gaat om de ondergrond van heel Gods wet, heel Gods Woord: geen bundeling wetten en regels waaraan wij krampachtig mee moeten leven om maar geen fouten te maken, maar juist om het leven te beleven als door God gegeven om er zo mee te kunnen leven,  sámenleven, dat ieder tot zijn recht komt.

Het gaat om liefde, dus, Gods liefde, die zijn weerklank vindt in ons. Ook in ons leven uit geloof zal iets moeten opklinken van de volmaaktheid, het volkomen op leifde gericht zijn van God die gekend wil worden als bevrijder, die zijn onderdrukte volk uit Egypte weggeleid heeft en zo met alle mensen wil omgaan vanuit de eenheid van zijn liefde. Dus ook met ons, met onze eigen vormen van 'Egypte', het Egypte van onze eigen gebroken relaties, schuld, verslaafdheden, egoïsme enzovoort, enzovoort. Híj verdient onze onverdeelde aandacht. Laten we ons op Hem richten, op zijn liefde, die voor alle mensen bedoeld is, waardoor wij ons gedragen mogen weten en waaruit wij mogen putten, als wij het leven en het samenleven moeilijk te volbrengen vinden.