RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Een mens kan God niet alleen met werken dienen, maar zeker ook met vieren en rusten." - Maarten luther


de preek van zondag 2 maart 2014

E-mailadres Afdrukken

Vandaag komen wij toe aan het laatste deel dat wij lezen uit de bergrede, voordat wij beginnen aan de veertigdagentijd. We staan als het ware met Jezus op de berg en overzien een wijds landschap waarin een nieuwe manier van leven voor ons ligt. Evenals Mozes, die probeer de blik van zijn volk vooruit te richten, naar de toekosmt in het land van belofte, probeert Jezus de mensen tot wie hij spreekt een houvast te geven temidden van de vrijheid die het geloof geeft, de vrijheid die hoort bij de normen van het koninkrijk van God, het koningschap van God.

Waarin ligt dat houvast? Eerst maakt Jezus duidelijk dat we moeten kiezen. We moeten ons richten, ons concentreren. Twee heren dienen, dat kan niet Niet God en de mammon.

Mammon is immers soort god op zich, een god van geld, die gediend kan worden. Er wordt een soort demonische macht mee aangeduid. In zijn oorspronkelijke betekenis betekende het woord dat schuilgaat onder Mammon nog zoiets als: datgene waarop je vertrouwt. Dat werd tot 'vermogen', 'bezit', later ook 'winst'. Maar van meet af aan stond het voor joden in een kwaad daglicht. Datgene waarop je vertrouwt, kan immers niet zoiets zijn als geld of goud? Dat was voor de heidenen, met hun goden van steen, die ze aanbidden. Daarop vertrouwen is volgens de bijbelse wetten en geboden zoveel als afgoderij. Want verering komt alleen God toe. Dat te geloven stond buiten kijf.

Toch waren er natuurlijk ook joden die gevoelig waren voor de verleidelijke macht van bezitsvermeerdering en geld en net alleen maar heidenen. Mensen richten zich graag op en tot iets tastbaars. Op iets dat ze zelf in hun vingers kunnen krijgen, op iets waarover ze controle kunnen krijgen. Of het nu een gouden kalf is, of een gouden muntstuk. Dat kan vrome vormen aannemen, godsdienstige vormen, maar met dat we ons er afhankelijk van maken, proberen we ons eigen belang ermee te zoeken. Door van goud en geld een god te maken, dienen mensen toch vooral hun eigen belangen. Toen en nu. Terwijl Israel geleerd had: God en de naaste dienen, dat hoort bij elkaar. Dat mag je niet uit elkaar halen. God dienen en je naaste als jezelf, dat is het hart van de Wet, de Thora.

Jullie kunnen niet God dienen en de Mammon. Dienen betekent hier: de slaaf zijn van iemand of iets als slaaf dienen. Dat betekent dat je je vrijheid hebt ingeleverd. Wie aan Mammon zijn hart weggeeft, blijft slaaf en wordt nooit meer vrij..

Dat kan nog altijd. Het kan individueel gebeuren, maar ook op grote schaal. Wij leven in deze wereld welbeschouwd in een economie die veel weg heeft van een verslaving, een verslaving aan geld en goederen, een uit de hand gelopen materialisme, een manier van leven waarin je nauwelijks meer zelf lijkt te kunnen kiezen, omdat er een heel systeem is ontstaan, waar we wel in mee moeten draaien. De wereld lijkt op dat systeem te rusten en tegelijkertijd wordt zij er juist heel kwetsbaar door. Want de rijkdom van weinigen vermeerdert de armoede van veel meer mensen. De instandhouding van de kloof tussen arm en rijk, ook al gebeurt het ook grotendeels onbedoeld is een regelrechte bedreiging van de vrede, zoals we in de meeste gewelddadige conflicten in de wereld zien gebeuren. En zelfs de welvaart in ons eigen land is minder zeker gebleken dan ze leek. Toch is steeds onze grootste zorg geweest en nog. We zijn er voortdurend mee bezig, het gaat er steeds over en toch blijkt het ons leven geen zin te geven. Dus ja: je kunt dus inderdaad slaaf zijn van het bezit, verslaafd zijn aan bezit, zowel in het klein als in het heel groot.

En dan: God dienen. Betekent dat dan niet ook 'slaaf zijn van God'? Dat willen we natuurlijk liever niet horen. We zijn toch niet godsdienstwaanzinnig? Toch wordt het woord hier wel gebruikt: jullie kunnen niet God dienen én de mammon. Maar er is een verschil in hoe Jezus dat dienen bedoelt.

Aan God kunnen wij onze vrijheid wel zonder gevaar weggeven. Want dan krijgen wij die vrijheid op een andere manier terug. Kiezen voor God betekent: je onder de hoede stellen van de Eeuwige, je aan Hem toevertrouwen. Dat maakt ons leven op een diepere manier vrij. Bij God komt ons leven pas echt tot zijn recht.

Om dat duidelijk te maken haalt Jezus er dat voorbeeld van die vogels en lelies bij.

Hun kenmerk is namelijk onbezorgdheid. Ze maken zich nergens druk om. Dat kunnen ze helemaal niet. Vogels kunnen niet denken zoals een mens, kunnen niet echt kiezen en lelies, die zijn alleen maar mooi. Zo vrij als de vogels en de lelies zijn, zo onvrij is degene die mammon dient. Maar wie kiest voor God, kan in zekere zin zo vrij leven als de vogels en de lelies. Kiezen voor God is je op een bijna argeloze manier aan God overgeven. Vogels zien wel wat er morgen gebeurt, terwijl mensen voortdurend bezorgd vooruit kijken. Jezus houdt ze ons als voorbeeld voor leven zonder angst, voor een leven waar het vertrouwen op de eerste plaats staat. Vogels leven vooral in het hier en nu. En toch hebben zelfs de vogels wel hun zorgen. Ze zoeken immers voortdurend naar voedsel. Als ze geen eten zoeken, gaan ze dood en hun jongen met hen. Maar zij líjden niet onder die dagelijkse zorgen en wij wel.

Wij mensen proberen ons in te dekken voor alle mogelijke risico's. Zo proberen wij het leven onder controle te krijgen. Maar dan nog gebeurt ons toch van alles, waarop wij geen vat krijgen, dat wij niet kunnen beheersen. Maar ons vermogen wel vooruit te kijken heeft ook iets positiefs. Zaaien, maaien en voorraadschuren vullen is eigenlijk iets zeer goeds. In zekere zin kan bezit dus ook iets goeds zijn. Als we het maar gebruiken omwille van wat de bijbel en ook Jezus 'gerechtigheid' noemen. We hoeven zelf geen gebrek te lijden, het gaat hier niet om opoffering, of niet van het leven mogen genieten. Maar we moeten er niet op gericht zijn en er ons niet te bezorgd om maken, in de zin dat de dingen ons in beslag nemen en met ons hart aan de haal gaan. Nee, we moeten ermee omgaan door, zoals Jezus zegt, 'eerst het koninkrijk' te zoeken en zijn gerechtigheid'.

De weg naar Gods rijk, de aanvaarding van Gods koningschap loopt via het doen van gerechtigheid. Mensen zijn door God geroepen om het goede te zoeken voor elkaar. Die roeping onderscheidt ons van de dieren, van de vogels. Die doen immers geen kwaad, althans niet bewust. Zij leven naar hun aard, ook als de een de ander opeet.

Jezus en de hele Schrift getuigt van Gods zorg voor de mens. Ook Jesaja spreekt erover, door Gods liefde voor Jeruzalem te vergelijken met de liefde van een moeder voor haar kind. Onvoorstelbaar dat zij haar kind zou vergeten. Maar al was dat zo, al laten mensen elkaar in de steek, dan nog zal God ons niet vergeten.

God weet, dat wij mensen reden tot zorg kunnen hebben. Hij weet dat mensen eten, drinken en kleding nodig hebben, hoezeer zij bitter gebrek kunnen lijden. Hij ziet de ellende van de volken van Syrië, Oekraïne, Afrika. Hij kent de talrijke andere zorgen die mensen, ook mensen in het rijke deel van de wereld - ook u en ik -, kunnen hebben. En hij gunt ons dat wij genieten van de goede dingen van het leven. Hij heeft het goede van de aarde immers zelf geschapen?

Daarom heeft hij ons ook de weg naar zijn rijk gegeven: de weg van de gerechtigheid die Gods Woord ons leert, de weg van het geloof. Het is de weg waarop Christus ons is voorgegaan. Het is een weg van je toevertrouwen aan God, van delen en geven en van het dankbaar ontvangen van alle goede gaven en ontdekken dat de betekenis van ons leven niet ligt in wat wij zelf voor elkaar boksen in het bouwen van een carriere, een mooi huis of wat ook maar. Dat is allemaal goed om van te genieten, het mag er zijn, als het niet ten koste van anderen gaat. Maar laten we het niet overschatten.

De zin van ons leven is door God gegeven vanaf het moment dat wij werden geboren, ja vanaf de eerste mens die zichzelf verstond als kind van God. Wij zijn beminde mensen, die god na aan het hart gaan, wier namen in Gods handpalmen gegrift staan.

Dat wij die geloofsweg kunnen gaan is op een gave van God. Het is een bevrijding. Het is een roeping. Dat hoeven wij niet als een last te beschouwen. Die roeping is iets heel hoogs. God dienen is het hoogste waartoe de mens wordt geroepen. God dienen is het dienen van een die ons liefheeft. Als we dat geloven, wie of wat anders zouden we dan nog willen dienen?