RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God is niet een God van nijd, maar van genade" - Maarten Luther


de preek van zondag 6 april 2014

E-mailadres Afdrukken

Het is de voorlaatste zondag voor Pasen. Deze dag wordt ook passiezondag genoemd, lijdenszondag, het begin van de eigenlijke lijdenstijd. We horen vandaag opnieuw woorden over een herder, net als vorige week, zij het directer dan toen. Vorige week ging het om de vraag naar de messias en wat het betekent, dat deze een zoon van David is. Een herderlijke messias, een Christus, die als herder intreedt voor zijn schapen, daar gaat het om, bij Jezus.

En nu horen we dat Jezus zegt: "Ik zal de herder doden en de schapen van zijn kudden zullen uiteengedreven worden." Hij zegt het na het vieren van de pesachmaaltijd, als hij met zijn leerlingen naar de Olijfberg loopt. En hij neemt die woorden over uit wat wij eerder lazen uit de profetie van Zacharja. Wat daar staat - over de herder die gedood moet worden, zodat de schapen verdwalen - betrekt hij op zichzelf, als om te zeggen: wat er nu staat te gebeuren, daar valt voor mij noch voor jullie aan te ontkomen. Het is Gods wil dat ik, de herder, zal sterven en dat jullie, de schapen die samen de kudde vormen, uiteengedreven worden. Zo staat het immers geschreven. Het is reeds lang voorzegd dat het zo moet gaan.

Petrus reageert vanuit zijn hart meteen: "Misschien zal iedereen u afvallen, ik nooit!" Maar Jezus wijst hem er op dat hij hem nog dezelfde nacht wel driemaal zal verloochenen.

Petrus werpt het verre van zich: "Al zou ik met u moeten sterven, verloochenen zal ik u nooit." En ieder valt hem bij, inclusief Judas, volgens Matteus.

Door hoe het verhaal, dat wij kennen, verder gaat, zouden wij kunnen denken: hoe kun je dit zeggen Petrus, waarom zeg je dit terwijl je niet weet of je het waar kunt maken? Maar als we reëel zijn, denk ik, dat velen, onder wie ik denken: hoe hadden ze anders kunnen reageren dan zo? Zouden wij dat anders hebben gedaan? Wie begrijpt, wat Jezus hier bedoelt met die verwijzing naar Zacharja, nar die woorden over de herder die gedood moet worden? Wie kan er met de woorden uit de voeten, die spreken van een God die niet iedereen, maar slechts een deel van zijn volk behouden wil. Het riekt naar uitverkiezing van enkelen en verwerping van velen, naar dubbel predestinatie, naar een prediking die wij niet willen horen en die wij niet geloven. God is een god van liefde. Hoe kan hij mensen verwerpen? Hoe kan hij een herder aanstellen, die hij vervolgens verwerpt? Moest Jezus werkelijk lijden en sterven? Was dat Gods wil?

Voor ons is dat alles in tegenspraak met ons geloof in een liefdevolle God. Maar is het dat ook?

Als we bij Zacharja te rade gaan, wordt het er niet meteen duidelijker op, wat Jezus hier kan bedoelen. Want het zijn onthutsende woorden, in onze oren, van Zacharja. Toch staat wat hij hier zegt eigenlijk in een hoopvol perspectief. Zacharja mag prediken dat Jeruzalem en heel het land een nieuwe tijd te wachten staat, waarin de vijanden overwonnen zijn en er een altijddurende vrede aanbreekt. De ballingen zullen uit Babel terugkeren en de rollen zullen volledig omgekeerd zijn: alle volken zullen naar Jeruzalem trekken om de herbouw van de tempel van God mogelijk te maken in plaats van de tempel te verwoesten. De tempel zal herrijzen en de oude vijandschappen zullen overwonnen zijn. Een nieuw begin. Maar waarom dan, bij zo'n mooi vooruitzicht, toch die woorden, die wij nu hoorden, over de herder die gedood moet worden en over schapen die moeten verdwalen?

Tweederde zal omkomen en een derde van het volk blijft behouden. Die heilige rest, zoals het in vele bijbelteksten heet, daar wil God mee verder.

Ook dat klinkt ons vreemd en verontrustend in de oren. Is God een God van wraak. Wil hij dan niet dat iedereen behouden blijft?

Ik heb de indruk dat Zacharja hier de moedeloosheid en de wanhoop van God beschrijft, wanhoop over hoe de mensen zijn afgedwaald van Hem en zijn bedoelingen. Ze hebben zich van Hem en zijn levenslessen, de geboden, afgewend. En daardoor hebben ze zich tegen elkaar gekeerd: ze leven niet met elkaar, maar tegen elkaar. Ook de leiders van het volk doen mee. Eerder zegt God, bij monde van de profeet:

"spreek de waarheid tegen elkaar, bewaar de vrede door eerlijk en rechtvaardig recht te spreken wees er niet op uit om een ander kwaad te doen en laat je niet verleiden tot meineed."

Dat is misgegaan en dat tij moet radicaal worden gekeerd, aldus de profetie. En de macht van de verkeerde, corrupte leiders, de herders, moet worden gebroken, omdat zij alleen in hun corruptie aan zichzelf hebben gedacht. God zal een goede herder aanstellen. Die goede herder zal echter door de mensen worden verworpen, zoals het goede van één mens soms het kwaad aan het daglicht kan brengen, maar dat is door God voorzien en er zal een tijd aanbreken dat God zélf zal regeren vanuit Jeruzalem. Net als later in Openbaringen, dat zwaar leunt op het boek Zacharja, wordt dit beschreven in felle beelden, die het geweld niet schuwen. Apocalyptische beelden.

Jezus past nu dit vers over de goede herder, die verworpen wordt, - móet worden - op zichzelf toe. Daaruit blijkt, of in elk geval is dat de visie van de evangelisten Marcus en Matteus, dat Jezus zijn naderende lijden en zijn dood aanvaard heeft als een bestemming die God voor hem had gekozen. Uit zijn toe-eigening van het Zacharjavers over de herder die gedood moet worden klinkt dezelfde overgave aan Gods wil, hoe die ook zal blijken te zijn, als spreekt uit wat hij zal bidden in de hof van Getsemane: "Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan. Maar laat het niet gebeuren zoals ik wil, maar zoals U het wilt."

Heel Jezus' weg, zelfs in het lijden, is er een van overgave.

Maar dat moeten we niet zien als iets louter verdrietigs of tragisch. Nog vlak voor zijn arrestatie, bij deze zware woorden over dood en verraad, spreekt jezus ook over zijn opstanding. "Maar nadat ik uit de dood ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea."

Daar is het hem om te doen, om dat grote en goede perspectief. Christus gaat voor naar het leven. Hij zal leven en wij zullen leven met hem, werkelijk tot onze bestemming komen, daar waar we zijn, daar waar we zullen zijn.

Daar moet het ook ons om te doen zijn, bij al ons spreken over Christus, ook in deze lijdenstijd. Het lijden van Christus mag nooit helemaal op zichzelf worden gezien. Er moet altijd iets van de opstanding doorheen gloren. Niet op een triomfantelijke manier, want het lijden is er. In de weg van Christus en in de weg van zovelen in deze wereld en ook onder u. Maar het is geen lijden om het lijden, het ziet uit naar de toekomst, naar een vernieuwing, die alles in een ander licht zal zetten, ook al begrijpen wij dat nog niet ten volle.

Wij staan voor de viering van ons paasfeest. Daarbij horen de verhalen over het lijden van Jezus, over het verraad, de pijn, het sterven. We kunnen niet om dat verhaal heen. Maar dat verhaal is er niet om het lijden te verheerlijken. Wij hebben geen sadistische God, die zijn zoon laat lijden of die mens het lijden als opgave meegeeft. Wij hebben een god die in het lijden van zijn zoon helemaal meegaat, ja, die zelf in de zoon voor ons instaat en alles doormaakt wat menselijk is. We hebben een menselijke God, een die zich ten diepste laat kennen in de mens Jezus en nergens totaler dan in Hem. In Christus hebben wij geheel en al met god te doen. Waar Christus ons tegemoet treedt, geschiedt ons heil, daar komt al iets van opstanding mee. De schepper en het schepsel komen in Christus bij elkaar. We begrijpen het niet, wij hadden het zelf nooit zo kunnen of willen bedenken, maar het evangelie leert ons: bij deze mens, die voor het oog van de wereld mislukt is, daar moeten we wezen om Gods bedoeling te begrijpen, met hem moeten we mee. Want hij voert ons naar de toekomst. Met hem mee, zullen wij opstaan en de nieuwe wereld vol vrede en recht ervaren, waarvan Zacharja al droomde en profeteerde.

En daarom mogen we niet weg vluchten bij het kruis, niet bij het lijden dat Jezus heeft willen aanvaarden en zeggen: daar heeft God niets mee te maken. Want juist daarin was God aanwezig, in dat lijden van Jezus. En hij loopt nog niet weg bij het lijden van mensen. Integendeel, hij komt er nog altijd midden instaan, in Syrie, in Afrika, in het ziekenhuis, in onze huwelijkscrisis, op ons sterfbed, ja waar ook maar. We hebben een menselijke god, een god-mét-ons. Daar wordt God niet minder van, als wij dat geloven, verre van dat. Maar door alles heen gloort een toekomst, een levende toekomst, zien wij uit naar het licht.

Uitleggen lukt niet, het begrijpen evenmin, maar het geloof kan een eind komen, als we erop vertrouwen dat wat er met Pasen gebeurt een godsgeschenk is, dat het leven door de dood heen aan het licht brengt en het elke dag weer de moeite waard maakt het erop te wagen met God en met elkaar.