RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Er is geen mens zo slecht, dat hij ook niet een beetje goedheid bezit." - Maarten Luther


de preek van zondag 15 juni 2014

E-mailadres Afdrukken

Overdenking bij Jesaja 6: 1-8, 1 Kor. 12: 12-27 en Hand. 2: 41-47

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Zondag Trinitatis is het vandaag. Voorlopig is het de laatste zondag die in  het wit gekleed gaat. Pas met Kerstmis komt die kleur terug.   Luther noemde Trinitatis de zondag met een gouden rand,  na de grote feesten Kerstmis, Pasen en Pinksteren. Deze zondag leent haar naam aan alle komende zondagen , de eerste, de tweede, enzovoorts na Trinitatis. Die naamgeving hebben we aan Luther te danken – in  andere tradities nummert men de zondagen na Pinksteren of: door de zomer. Trinitatis is een soort terugblik op wat er allemaal gebeurd is , een dankzondag voor al het heil van God: het licht dat in de wereld kwam, Kerstmis; het leven  dat sterker bleek dan het duister van lijden en dood, Pasen; de uitstorting van de Heilige Geest die voor de hele wereld bestemd is, Pinksteren.
Triniteit, Drievuldigheid, dat legt uit hoe God midden onder ons wil zijn.
Eerst moeten we zeggen dat  God onkenbaar is. Als het aan ons zou liggen  dan kenden wij God niet en geloofden we niet in Hem. Maar God maakt zichzelf bekend, op drie manieren, kun je zeggen. Als Schepper van alles, als degene die alles in beweging heeft gezet.  Israel wist daar al van, en voor ons, de niet Joden, maakte God zich bekend in Jezus. Wat rondom Jezus zo vurig aan het licht kwam, dat gebeurt steeds weer, het vuur is nooit uitgedoofd. Dat vuur is de Geest van Pinksteren, Gods Geest kan mensen overkomen en hen in beweging zetten. Je kunt ervaren dat je geroepen wordt en erop antwoorden: hier ben ik, stuur mij.
Eén God, drie manieren van er zijn: Vader, Zoon, Heilige Geest.



Hoe het bijzondere evangelie van Pinksteren een grote beweging in gang heeft gezet, daar wil ik vandaag met u verder over denken.
Met Pinksteren vierden we hier in de gemeente, net als in ontelbare gemeenten wereldwijd, de gemeenschap met elkaar en kregen we de opdracht om Gods Geest uit te delen waar wij maar kunnen. Maar op de dag van de Heer, hoe geestrijk ook, volgt altijd een maandag: aan de slag met het woord, geef het handen en voeten.
Als het Pinksterverhaal een zondagsverhaal is, zou dan wat we vandaag hoorden uit Handelingen het vervolg zijn, over de maandag van de beginnende kerk? Wat gaat  die eerste gemeente doen met het Woord en de Geest ? We horen grote woorden: ze hebben alles gemeenschappelijk  , ze delen alles, ze komen dagelijks eensgezind in het godshuis  ,waar ze met elkaar God loven – en elke dag, horen we, komen er mensen bij, groeit de gemeente. Zo aanstekelijk is het leven van deze groep. Ecotopia, Utopia, Opwekking in Biddinghuizen: wat is er gebeurd daar in Jeruzalem?
Dit verhaal roept verlangen op: zó in liefde  met elkaar te kunnen leven, niemand wordt buitengesloten, ieder krijgt wat hij nodig heeft. Werkelijk met elkaar delen, wat je hebt, wat je bent. Kon het maar. Maar het lukt niet. Toen ook niet. Het heeft niet zo heel lang geduurd, deze samenleving. Al gauw kwamen er conflicten, jaloezie, mensen die de baas gingen spelen. Maar toch, hoe zou het gegaan zijn, toen?
Nu was het wel zo, dat de beginnende gemeente geleefd heeft in de verwachting van een spoedig naderend wereldeinde. Het zou niet lang meer duren of Jezus zou terugkomen en dan zou er een onvoorstelbaar nieuwe wereld aanbreken. Ze vonden het daarom ook niet nodig om voor hun gemeenschap een heel nieuwe orde te ontwerpen. Dus wat er zeker niet was, dat was een systeem met allerlei regels over hoe je als mensen van na Pinksteren zou moeten leven. Ze hadden natuurlijk de leefregels van Mozes, de Tien Woorden. En ik vermoed dat ze van dag tot dag leefden, uit de bron van het Woord dat hen bezielde, gedragen door de groeiende onderlinge gemeenschap.

In Handelingen 2 worden ze beschreven als een gemeenschap die   volhardt  in vier zaken: in onderricht (dat is samen leren), in de gemeenschap (dat is samen delen), in het breken van het brood (dat is samen vieren) en in de gebeden (dat is het gedeelde geheim van het innerlijk gesprek met God.) Dat gaven ze niet op, lezen we.

Leren, delen, vieren, bidden: wat apart, die begrippen kun je zo terugvinden in iedere studie over gemeenteopbouw. Het staat ook in het beleidsplan van onze gemeente. Door het Woord van God, dat we als gemeente zondag aan zondag overdenken ter wille van ons leven in de andere zes dagen, mogen we ons steeds weer laten verrassen en wakker schudden. Of dat ook gebeurt ligt maar ten dele aan de kwaliteit van de voorgangers, maar toch vooral aan onze wil om ons aan te laten spreken. Ja, ik denk echt dat het een wilsbesluit is om je open te stellen en je te laten roepen. Waarom komen we hier anders? Er bestaan geen pasklare antwoorden op de vraag hoe je in de verwarrende en vaak platte wereld van nu zou kunnen leven, zou horen te leven, als je je lidmaatschap van de gemeente serieus wilt nemen. Daarom kom je er in je eentje ook niet uit en heb je elkaar als gemeente hard nodig bij het zoeken naar wegen. Samen leren, samen delen, samen vieren, samen stil worden – en dat volhouden.

Paulus gebruikt er een beeld voor: de gemeente kun je zien als het lichaam van Christus en wij zijn allemaal ledematen daarvan. Voet, oog, hand, neus, allemaal anders, maar allemaal even nodig, anders zou het lichaam niet kunnen functioneren. Dat beeld is voor ons nog net zo duidelijk als voor de mensen in Korinte aan wie Paulus   destijds zijn brief schreef.
Een verstopte neus, een teen die je flink gestoten hebt, een zwerend wondje aan je vinger: het lijkt niks, er is maar een klein deeltje van je grote lijf aangetast, maar je kunt er heel veel hinder van hebben , het kan je ’s  nachts wakker houden. Als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Dat merk je als er iets in je lichaam pijn doet. Als er één lid lijdt, lijden alle leden mee, ook in de gemeente. Dat heb ik persoonlijk ervaren dit afgelopen jaar.
En dat ervaren velen, over en weer, het meeleven in vreugde en in verdriet. Alle leden van het lichaam hebben elkaar nodig, en daarbij is de een niet meer waard dan de ander. Het is een prachtig beeld dat Paulus ons gegeven heeft. Niemand kan gemist worden, niemand is overbodig. En natuurlijk gaat het niet alleen om mensen die opgenomen zijn in een ledenadministratie. Die had Paulus ook niet voor ogen toen hij aan de Korintiërs schreef. Het ging hem om de beweging van mensen die verlangden naar recht en vrede en die daarbij geraakt waren door Christus. Wat Paulus voor gemeente voor ogen had was misschien meer een droom, een verlangen, dan dat het al een realiteit was. Het moet de mensen toen erg aangesproken hebben. Anders was deze brief niet zo lang bewaard voor latere geslachten, voor ons, nu.

Samen zijn we het lichaam van de Heer, van Christus. Het lichaam van Christus: dat is altijd een getekend lichaam, het draagt wonden, littekens die in het leven opgelopen zijn. Dat betekent dat de gemeente niet uit volmaakte mensen bestaat. Ieder draagt zijn eigen littekens, zichtbaar of onzichtbaar. Ieder heeft zijn eigen pijn en verdriet, draagt zijn eigen eenzaamheid. Het is goed om dat te beseffen, van jezelf, van de ander. Het kan ons helpen om anders naar elkaar te kijken, de ander wezenlijker te zien, met mededogen en liefde. Die ander is een mensenkind als jijzelf, klein en nietig vergeleken met de sterren hemelhoog, maar God maakt ons bijna goddelijk groot.  Dat wil zeggen dat we  zó geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis dat het kan: een beetje op God lijken in ons doen en laten. Ieder op zijn eigen wijze, als één van de onmisbare leden van het lichaam dat de gemeente vormt.
Laten we samen volharden, volhouden, in het gemeente zijn, bezield door de Geest van Pinksteren, lerend, delend, vierend, en biddend. In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. AMEN

orgelspel