RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Alles wat gebeurt in de wereld, wordt gedaan door hoop." - Maarten Luther


De preek van zondag 22 juni 2014

E-mailadres Afdrukken

Wat zouden de grootste vragen van onze tijd zijn? Wat vinden wij zo belangrijk, dat wij vinden dat we er voortdurend mee bezig zouden moeten zijn?

Na misschien en omweg langs de gevolgen van de economische recessie in ons eigen land en in onze eigen levens, komen we dan waarschijnlijk, als we wereldwijd kijken, uit bij de grote problemen die onze wereld van oudsher kwellen: oorlog, geweld, wreedheden, machtswellust, machtsmisbruik, al dan niet religieus gemotiveerd, oneerlijke verdeling van welvaart - zelfs in onze eigen weldoorvoede samenleving -, maar vooral wereldwijd, met onevenwichtige spreiding van voedsel en andere levensnoodzakelijke dingen en overal op aarde de vervuiling van het leefmilieu. Die problemen houden de hele wereld in hun greep, al worden ze door de mensheid zelf veroorzaakt. De plekken waar ze zich het hevigst voordoen, varieren, al is het meestal in het Zuiden en het Midden-Oosten en verre Oosten, waar de grootste klappen vallen. De laatste weken zijn van oorlog en religieus geweld nieuwe voorbeelden bij gekomen, in Irak, in Kenia en Nigeria en waar ook maar. Ontstellend te zien hoe snel het mis gaat.

Tegen die achtergrond vragen veel mensen zich in deze wereld af: waarom gebeurt al die ellende en ook: hoe kunnen we zorgen dat wij eraan ontkomen, hoe redden we het vege lijf? Je zou het de strijd om het bestaan kunnen noemen. Het brengt mensen vanuit arme of door geweld getergde plaatsen ertoe te vluchten naar veilige oorden, bij ons, bijvoorbeeld. Waar ze vaker niet dan wel worden toegelaten. Laat staan dat ze er ook echt een leven kunnen opbouwen.

Zijn hun - wanhopige - vragen ook onze vragen? Ten dele wel, ook wij zien en horen wat er fout gaat in de wereld. Maar het maakt natuurlijk uit of je je in hun situatie kunt verplaatsen als je zoals wij in het Westen niet die hardste klappen krijgt, maar ze vooral van een afstand waarneemt, weldoorvoed, goed geïnformeerd en beschermd door de waarborgen van de democratische rechtstaat.

Maar zijn het ook vragen die ons in het geloof bezighouden? Het antwoord is 'ja' voor de mensen die er middenin zitten. In het Zuiden en het Midden Oosten en Oosten, dus. Daar kan het niet anders of de mensen vragen zich af: Waarom laat God al deze ellende toe? Is wat ons overkomt op de een of ander manier Gods wil? Wat wil God van ons? Hoe leven wij naar Gods wil?

Eens waren dat ook vrij massaal onze vragen, onze geloofsvragen. Maar in het gedemocratiseerde Westen en Noorden is met alle vrijheid en welvaart die kwam het religieuze besef meer en meer afgenomen. We leven hier in een deel van de wereld, waarin steeds minder naar God wordt gevraagd en waarin de vragen over het lijden meestal niet meer vanuit een godsdienstige visie worden beantwoord of zelfs maar gesteld.

En daarmee lijken veel van de grote conflicten op deze wereld te maken te hebben met religie en godsdienst, tussen moslims van verschillende soorten of tussen moslims en christenen, of tussen joden en moslims en soms ook christenen. In het Westen en Noorden dachten we na eeuwen van bloederig geweld tusen verschillende groepen christenen door de ontkerkelijking ook af te zijn van het religieuze geweld. Maar dat is niet zo, de religieuze groeperingen zijn alleen veranderd en de zwaartepunten binnen de religieuze kaart van de wereld zijn verschoven. De Islam lijkt wereldwijd de agenda te bepalen en het Westen en Noorden lijkt wel zonder geloof te zijn of stelt de geloofsvragen niet meer openlijk bij het oplossen van de grote problemen van de wereld. Het christendom wordt steeds minder een macht van betekenis die het lange tijd was of je zou kunnen zeggen: de mensne met macht wordt steeds minder christelijk, omdat het Westen en Noorden, dat nog steeds machtig is, niet meer zo massaal christlijk is.

Tegenstrijdig genoeg lijkt daarmee de wereld wel weer meer op de wereld van de apostel Paulus, toen hij de brief aan de Romeinen schreef. Van christendom als een godsdienst van machtigen was toen ook nog geen sprake. Het was een zich nog vormende godsdienst die steeds meer los begon te komen van het Jodendom, dat weliswaar van betrekkelijk grote invloed was, maar toch zeker ook niet de godsdienst van machtigen. De Romeinen domineerden de wereld en stonden een veelheid aan godsdiensten en religieuze overtuigingen toe, zolang die de politieke eenheid van het rijk niet teveel bedreigden.

In die wereld was het jodendom een getolereerde godsdienst die zich over de hele toenmalige wereld had verspreid en die ook een bescheiden aantrekkingskracht had op niet-joden. Die aantrekkingskracht lag in de naleving van de Torah, de wetten van Mozes, die een manier van leven voorschreven, die weliswaar veeleisend en complex was, maar toch ook duidelijk maakte, dat wie zo leefde, leefde naar Gods wil. Voor de Joden zelf , die van kindsbeen af aan uit dat besef leefden, was dat een manier van leven, die hun bestaan zin gaf: zo horen wij bij god en zo wil God bij ons horen. Maar ook voor mensen, ook uit de heidense, dat wil zeggen de niet-joodse volkeren, die ermee in aanraking kwamen, was dat soms een reden om over te gaan tot het Jodendom en deel te hebben aan die eerbiedwaardige traditie met haar duidelijke leefregels.

Maar de echte missionaire revolutie kwam pas toen Paulus van aanvankeleijke vervolger van de secte van de christenen was bekeerd tot het evangelie van Jezus Christus en was geworden tot een van hen, die hij eerst had vervolgd. In plaats van joods levende christenen te vervolgen, ging hij nu het evangelie verkondigen. En tot de kern van het evangelie dat hij verkondigde, hoorde, dat God mensen niet pas aanemt als ze de wat van Mozes naleven, maar dat zij op gezag van Jezus Christus geloven in Gods liefde en trouw, die hen maakt tot mensen die in Gods ogen 'rechtvaardig', dat wil zeggen: goed in de ogen van God zijn, goed genoeg. Hij die zelf tot dan toe een vrome en strenge Jood was geweest, die de Wet van Mozes secuur naleefde, was gaan geloven, dat de veranderende kracht van God niet zozeer werkt door menselijke inspanningen, door het volbrengen van de Wet, maar door te vertrouwen op Gods vergeving die hij geeft is Jezus Christus. De kracht die was vrijgekomen door de dood en opstanding van Jezus Christus, is allesbepalend voor het bij God mogen horen en dat maakt uit of mensen gered worden of niet en of ze zo zullen leven als goed is in Gods ogen. Daarbij hield Paulus veel oog voor waar het in de wet van Mozes gaat: een leven dat goed is in Gods ogen. Anders zouden mensen kunnen denken: we leven maar raak. Daar ging het Paulus niet om. Het gaat God volgens hem om het resultaat van hoe wij leven, ook als wij niet joods zijn. In onze tekst zegt hij dat zo:

"wanneer namelijk heidenen, die de wet niet hebben, de wet van nature naleven, dan zijn ze zichzelf tot wet, ook al hebben ze hem niet. Ze bewijzen door hun daden dat wat de wet eist in hun hart geschreven staat; en hun geweten bevestigt dit, omdat ze zichzelf met hun gedachten beschuldigen of vrijpleiten. Dit alles zal blijken op de dag waarop, volgens het evangelie dat ik verkondig, God door Jezus Christus oordeelt over wat er in de mens verborgen ligt"

En Paulus leer ons erop te vertrouwen, dat dat oordeel rechtvaardig en barmhartig is, vanuit de liefde van God, die in Jezus overduidelijk is geworden. Paulus heeft willen doen geloven, dat wij ons voor het oog van de mensen niet hoeven te rechtvaardigen, niet hoeven te voldoen aan hun al te hoge eisen, maar dat het genoeg is, dat wij weten, dat God de mens de gerechtigheid geeft die de Wet van hem vraagt en daarbij barmhartig en trouw is.

Die boodschap is Paulus gaan uitdragen, juist onder de heidenen, de niet-joden. Mensen mogen bij God horen, omdat God hen dat gunt. Daar hoeven ze niet eerst jood voor te worden, zoals veel joodse christenen dat toen geloofden. Dankzij hun geloof in Christus weten ze, dat Gods liefde er ook voor hen is. Dat schrijft hij in deze brief ook aan de joods-christelijke gemeente in Rome, waarvan hij weet, dat men daar heel huiverig zal staan tegenover zo'n prediking.

Dat is natuurlijk revolutionair geweest van Paulus. Maar hij haalde er ook de tegenstand op de hals van die mensen die vonden dat ook christenen zonder joodse oorsprong de wet van Mozes na moesten leven. Maar Paulus hield voet bij stuk. Hij zegt hier eigenlijk: die wet van Mozes, waarmee God zijn volk altijd heeft geregeerd, staat eigenlijk in het hart geschreven. Er is zoiets als een besnijdenis van het hart, een innerlijk toebehoren aan God en toegewijd zijn aan God. Uiteindelijk gaat het God om het resultaat van hoe hoe mesnen leven en samenleven. Voor de Joden wordt dat resultaat bereikt door het naleven van de Wet van Mozes, maar wie niet joods is, kan ook weten wat goed is en wat God van een mens wil en kan zich thuis weten bij God dankzij geloof in de liefde van God in Christus.

Voor ons zijn die gedachten niet meer vreemd, na 2000 jaar christendom en al helemaal niet voor proetstanten, die weten van de herontdekking van Gods rechtvaardiging door het geloof door Maarten Luther, die haar tot speerpunt van de kerkhervorming maakte.

Maar toen was het revolutionair. Het zorgde ervooor dat het christendom een godsdienst kon worden, die toegankelijk werd voor iedereen die geraakt werd door die boodschap van Gods liefde in Christus, ongeacht zijn afkomst. Het maakte Paulus tot een heel ander soort globalist dan de Romeinen waren, die de eenheid zochten in het toebehoren aan een politieke eenheid onder de Keizer en zijn regering. De eenheid die Paulus zag gaat dieper: het gaat erom, dat alle mensen toebehoren God en dat zij ook bij elkaar horen, als gelijken, ondanks menselijkerwijs onoverbrugbare verschillen. God oordeelt niet langs de scheidslijnen van door mensen bepaalde religies of confessies, maar ziet het hart aan. "Hij maakt geen onderscheid, zegt Paulus." Dat maakt dat wij in de kerk niet alleen maar bidden voor onszelf en voor andere christenen, maar voor mensen wereldwijd, van allerlei levensovertuging. Hun problemen raken ook ons. God wil, dat wij ons hun leed aantrekken.

Laat Gods wijze van kijken naar de mensheid een troost zijn als wij om ons heen kijken in deze ontzinde wereld. Het bewaart ons misschien ook voor al te groot wantrouwen en zelfs haat tegen de Islam als geheel, die kan onstaan bij het zien van de gruwelen van de jihadisten die in de wereld oprukken en voor wie we inderdaad op ons hoede moeten zijn. En het houdt ons kritisch naar onszelf en christenen wereldwijd, die zo vaak niet leven naar ons geloof.

God gunt alle mensen, ook ons, zijn barmhartigheid en liefde. Dat moet voldoende zijn om mee te leven, met elkaar in de kerk en met iedereen daarbuiten.