RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Hier sta ik. Ik kan niet anders. God help me. Amen." - Maarten Luther


de preek van zondag 31 augustus 2014

E-mailadres Afdrukken

Dat gedicht van Jules Deelder dat ik aan de kinderen voorlas, werd aangedragen door een collega van me, tijdens de bijeenkomst van de preekclub, afgelopen week. Zij kwam erop, door die woorden: 'je komt uit het water en je gaat door het vuur', als een beeld voor het menselijk bestaan.

Goed gekozen woorden. Omdat wij allen uit het vruchtwater van de moederschoot komen en dan het leven in gaan, waarin wij door het vuur gaan en voor hete vuren komen te staan.

Maar ze passen ook heel goed bij hoe het leven in bijbels perspectief in elkaar steekt: wij moeten leven te midden van de chaos en de bedreiging, waar water en vuur voor staan in hun overdrachtelijke betekenis. Maar daar, midden in die chaos en de overheersing door de machten van het duister, midden in menselijke nood en geweld spreekt God het Woord, dat ons daar uit wegroept. Door Gods scheppingswoord splijt het duister en wijkt de zee. Het leven breekt zich baan door de onherbergzaamheid . Leven als echt leven: in vrede, met gerechtigheid. Vrede als heelheid van leven, als elkaar het licht inde ogen gunnen, de een de ander.

Dat heeft Deelder goed verwoord, zoals een dichter dat kan: je komt uit het water en je gaat door het vuur'. De mens komt uit het water en moet er ook steeds weer doorheen, want het water blijft dreigen en gaat door het vuur. Dat het ook beeld is, dat ons als gelovigen aan kan spreken, is misschien niet door hem bedoeld en hij zit er misschien niet op te wachten ook, maar dat is onze zaak.

De reden dat mijn collega deze dichtregels erbij haalde, was het verhaal over de maanzieke jongen.

'Heer, heb medelijden met mijn zoon', zegt zijn vader tegen Jezus, 'want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water.'

Maanziekte. Die jongen lijdt aan een vorm van epilepsie, waarschijnlijk. In elk geval leeft hij in grote onzekerheid. Het is om zo te zeggen geen leven. De maan heerst over zijn leven, het duister heeft hem in de greep. Wat voor situaties zouden we daar niet allemaal in herkennen?

Die van velen bij ons, waarschijnlijk, in de zorgen van alledag. Overdag kun je de spoken nog wel van je afhouden. Maar 's nachts overspoelen de zorgen je en sla je aan het piekeren. Alles lijkt en wordt groter. Maar voor sommigen gaat het altijd door, in hun depressie, hun somberheid of wanhoop, zien ze geen uitweg meer.

En ook de wereld in haar geheel is maanziek. De oorlogen en conflicten van vandaag en gisteren en ook die van morgen, zo valt te vrezen. Er is het duister van alle ontstellende gebeurtenissen in het Midden -Oosten en Afrika. Vooral de mensen in het Midden-Oosten, of ze nu gematigde moslims zijn, christen, jood of anders, leven in die toestand waarin die jongen verkeert. Dat lijden van die jongen is ook een verwijzing mnaar het lijden an Jezus, de mensenzoon, die zich solidair verklaart met de mensen in hun zwakheid.

Hoe leven wij te midden van dat duister? Proberen we de ellende van anderen, vooral van wie ver zijn, stoicijns te verdragen, in het besef dat wij er toch niets aan kunnen verdragen? Accepteren we alles zo goed en zo kwaad als het is en proberen we er op onze eigen vierkante meter wat van te maken?

Die man die zijn zoon bij Jezus brengt, zegt tegen hem: 'Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.'

Jezus gaat daarop los tegen zijn leerlingen. Hij verwijt hen hun ongeloof. Een 'ongelovig en dwars volk', noemt hij hen.

Op ons komt dat hard over. Hij heeft het wel tegen de harde kern, de mensen van het eerste uur. Kort geleden stonden Petrus, Jakobus en Johannes nog met hem op de berg, oog in oog met de verheerlijkte heer en Mozes en Elia aan zijn zijde. Eerste hoorders van Gods stem, met Jezus: 'Dit is mijn geliefde zoon, in hem vind ik vreugde!'.

En juist omdat zij er zo dichtbij stonden, vaart hij tegen hen uit. Snappen jullie het nu nog niet?, lijkt hij te zeggen. Wat stelt jullie geloof nu eigenlijk voor? Natuurlijk hadden jullie die boze geest kunnen uitdrijven. Vanuit je geloof was het gelukt.

Wat bedoelt Jezus daarmee? Moeten zijn leerlingen hetzelfde kunnen als hij? Kan geloof blijkbaar zo sterk zijn, dat je er de demonen uit je leven mee kunt verjagen?

Jezus bedoelt volgens mij dat zij God niet op zijn woord geloven.

Zij geloven blijkbaar niet dat zij in Jezus met God zelf te maken hebben, dat God zelf in Jezus handelt met hen, met de wereld en dat hij dat ook in hen, de leerlingen wil doen. Want een gelovig mens doet goede werken, om het eens te zeggen als Luther later heeft gedaan. Wij verstaan misschien wat gezegd wordt over de leerlingen als hun lamgeslagen reactie op een vraag die zij als onmogelijk beschouwen – en wij met hen: verlos mijn zoon van deze demon. Maar Jezus verstaat het als een weigering te doen wat zij vanuit hun geloof moeten willen doen: deze mens verlossen van zijn gevangenschap in zijn ziekte, de gijzeling door een demon. Er is hier meer aan de hand dan mythische toestanden, waar wij sowieso niet meer mee uit de voeten kunnen tegenwoordig. Het gaat hier om geloof versus ongeloof. Het gaat hier om hetzelfde als waartoe Jeremia oproept: 'Wees mij gehoorzaam, dan zal ik jullie God zijn en dan zullen jullie mijn volk zijn.' Het gaat in de bijbel altijd om het horen naar Gods stem, om het gehoor geven aan Gods stem, aan zijn Woord. Horen naar het Woord is ook leven naar het Woord, doen ván het Woord.

Daarom worden ook wij hier direct aangesproken en bevraagd op ons geloof of op ons gebrek aan geloof. Dit verhaal gaat ons dus direct aan. Wij staan in de schoenen van zowel die maanzieke jongen en zijn vader als in die van de leerlingen. Dat het lidjen van deze wereld te groot is om door ons opgelost te worden, dat is duidelijk en dat weet ook God wel. Maar daarmee staan we nog niet geheel en al machteloos. Tegenover het lijden in deze wereld, ook dat onder ons, verwacht God van ons een houding van meer dan alleen wanhoop. Hij wil dat wij leven vanuit ons geloof. Hij wil dat wij met hem ons keren tegen de dood en ons richten naar het leven, dat in Christus overvloedig duidelijk is geworden als een kracht, die ons motiveert altijd meer hoop dan wanhoop, altijd meer liefde dan haat, altijd meer mogelijkheden dan onmogelijkheden te zien. Met Christus meegaan op zijn weg is aanvaarden dat er in deze wereld lijden is maar ook dat juist in de gebroken wereld een weg naar het leven is gegeven. En die weg moeten wij willen agan. Met hart en handen. Hoe? Paulus geeft een hint: 'denk overeenkomstig het geloof, dat is de maatstaf die God u heeft gegeven'. Hij wil maar zeggen: wij tasten niet in den blinde. Als wij horen naar God en zijn levend woord, Christus, dan weten wij dat alles wat wij doen met geloof de moeite waard is, meetelt. Alles bij elkaar wordt het meer, vult het elkaar aan. Geloven is leven met hoop en de verwachting dat dingen gaan lukken en zinvol zijn. Dan moet je natuurlijk wel de zinvolle dingen doen, dingen die stroken met wat Christus leert. In het klein allereerst, in onze eigen levens met onze naasten, maar ook in de wijdere kring, ten opzichte van de problemen van de wereld. Wij hebben hier een grote mate van geloofsvrijheid. Dat is een grote zegen en een groot goed, die wij danken aan de westerse vrijheidscultuur. Maar die vrijheid schept ook verplichtingen. Wat doen wij met onze geloofsvrijheid? Is de vraag van de chaldeeuwse bisschop van Mosul, dat is Nineve. Een vraag die wel blijft hangen, toch. Het is een beroep op ons, christenen van het Westen.

Wij hebben ongekende mogelijkheden, ook als gelovigen, om ons geloof te leven en uit te dragen in woord en daad. Laten we dan ook wegen zoeken om die te realiseren, ten behoeve van al die mensen, christen of niet-christen die in deze wereld vast zitten en lijden. Een christen mag nooit zijn of haar hoofd afwenden, maar daadwerkelijk proberen te helpen, al is het maar in gebed, als wij echt geen andere mogelijkheden zien.

Maar ook wie om vrede bidt, zal vrede moeten dóen. En dat doen je meestal niet met de mensen met wie je het al meteen zo goed kunt vinden. Je probeert juist met hen in gesprek te komen, met wie je het moeilijk hebt.

Er staat de kerk, er staat ons veel te doen. Maar we mogen erop vertrouwen, dat God zelf ons de kracht daartoe geeft.