RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Onze naaste is ieder mens, in het bijzonder die onze hulp nodig heeft." - Maarten Luther


de preek van zondag 30 november 2014 Eerste advent

E-mailadres Afdrukken

5 Ik zie uit naar de HEER, mijn ziel ziet uit naar hem

en verlangt naar zijn woord, 6 mijn ziel verlangt naar de Heer, meer dan wachters naar de morgen, meer dan wachters uitzien naar de morgen.

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

Zo ongeveer stel ik me voor dat zit hij daar te wachten, die deurwachter, waarover we het met de kinderen hadden, de deurwachter die is weggelopen uit de rede van Jezus in Marcus 13, die Jezus zelf in gedachten heeft. Hij waakt, houdt de wacht en zal de ander waarschuwen bij onraad en hij zal het laten weten, wanneer de heer des huizes terug is. Een belangrijke taak. En hij kan die taak aan, omdat hij wacht vanuit verwachting, hoop en vertrouwen. Hij ziet niet bang af te wachten tot de 'Heer terugkomt, alsof hij ieder moment betrepat kan worden. Nee, hij ziet reikhalzend uit naar de komst van zijn heer, op welk moment dat ook is. Dan zal hij er klaar voor zijn, hem te ontvangen.

Waarom ik psalm 130 bij haal is, omdat het hierin volgens mij gaat om de verwachting waar een werkelijk verlangen naar God uit spreekt, een verlangen naar Gods woord. Het gaat om een verlangend en vol vertrouwen wachten op een die welkom is, niet om een angstig wachten op een heer die elk moment thuis kan komen om een oordeel uit te spreken en straf te geven. Zoals de mens in de psalm uitziet naar God, zo ongeveer vraagt Jezus aan zijn leerlingen, volgelingen en ook ons wakker te zijn, klaar voor de komst van de Mensenzoon en met hem de grote vernieuwing.

Het is eenzelfde verwachting als waarover Jesaja spreekt:

"Geen oog zag ooit een god buiten u, die opkomt voor wie op hem wacht. U komt eenieder tegemoet die van harte rechtvaardig handelt, die uw weg gaat, met u voor ogen." Zelfs op het moment dat Jesaja spreekt over een gerechtvaardigd oordeel over het kwaad dat zijn volk begaat, is ten diepste zijn geloof in Gods liefde voor zijn volk aanwezig en weet hij, dat God zijn volk niet vol angst op hem laat wachten, maar dat hij wil dat het hem verwacht met hoop en een gerust hart. Maar Jesaja kijkt om zich heen en ziet, dat het heel anders is: "Er is niemand die uw naam aanroept, die zich ertoe aanzet uw hand te grijpen."

Wat Jesaja beschrijft is in zekere zin wat wij in onze tijd ook meemaken: wie roept God nog aan? Het geloof, het geloof in God, enige verwachting ten aanzien van Hem ebben hier in de Westerse wereld weg uit ons gemeenschappelijk besef, uit het gedeelde openbare leven en weinigen die dat een groot probleem lijken te vinden. Zelfs wij als kerkgaande christenen hebben leren leven met secularisatie. En we zijn even diepgaand beïnvloed door de Verlichting en het humanisme als door het christendom. Dat is niet erg, het kan niet anders, maar daarom is ook voor de kerk de vraag aan de orde of wíj God nog wel verwachten, of wíj nog iets van God verwachten, in ons leven, in de wereld? En dan bedoel ik niet zozeer of wij nog rekening houden met spectaculair goddelijk ingrijpen, maar of wij ons iets gelegen laten liggen aan God, of wij hem minstens als een dringende vraag aan de mensheid in deze wereld zien, die ons oproept om tot ommekeer te komen in een wereld die tenonder gaat aan materialisme, hebzucht en geweld. Als wij zeggen dat wij geloven, moeten wij ook bereid zijn om ons door Gods Woord te laten aanspreken. Niet in de zin van: dat vind ik wel mooi, dat spreekt me wel aan, maar: laat ik mij ten diepste gezeggen door wat God van mij, van ons vraagt? Laat ik mij tot bekering, tot ommekeer oproepen? En stel ik mij open voor zijn woord van liefde, genade en vergeving? En ben ik bereid daarvan in mijn leven in woord en daad verantwoording van af te leggen, zonder dat ik daarbij enige macht heb? En dan is geloof niet zozeer een opvatting die je wel of niet kunt delen en die door de critici vaak genadeloos op de hak wordt genomen, of weggezet als kinderachtig, maar een manier van leven, een leven in de navolging. De navolging van de Mensenzoon, die gekomen is in de gestalte van Jezus Christus, maar die wij ook nog steeds verwachten, als een die komt. Geloven is een manier van leven die getuigt van dat waken, waartoe Jezus hier oproept. Een waakzaam leven, dat de ogen open houdt, ook als de verleiding groot is ze te sluiten voor wat ook voor ons als christenen lastige en beschamende vragen zijn: allerlei onrecht, zoals racisme, en de aftakeling van de natuurlijke wereld en dat alles onder onze eigen mensenhanden. Als wij er als christenen in ons leven niet blijk van geven, dat wij ons laten aanspreken door Gods Woord, als wij niet in ons leven ruimte maken voor God, als het ware onderdak aan Hem geven, als wij niet zelf stem geven aan dat woord en het laten horen, liggen we dan eigenlijk niet te slapen? Maar de Heer zegt: wat ik tegen jullie zeg, zeg ik tegen iedereen: wees waakzaam!" Wat is dan dat, waakzaam leven? Is dat beducht zijn op de tekenen van een naderend einde, dat God maakt? Moeten we eigenlijk de deuren langs, zoals de Jehova's getuigen? Of kan het zijn waar Thom Naastenpad op heeft gewezen: in het besef dat deze tijd, zoals wij die kennen zal vergaan, doet het ertoe, dat wij ons afvragen, waar wij mee bezig zijn, hoe wij leven vanuit geloof. En in het besef dat God een nieuwe tijd heeft laten aanbreken in de opstanding van Jezus Christus is, letten wij op datgene waar God mee bezig is. Advent bepaalt ons bij het waken. Laten we onze verderkijkers maar bij de hand houden, want we zullen ze nodig hebben. 7 Israël, hoop op de HEER! Bij de HEER is genade, bij hem is bevrijding, altijd weer.8 Hij zal Israël bevrijdenuit al zijn zonden.