RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Een mens kan God niet alleen met werken dienen, maar zeker ook met vieren en rusten." - Maarten luther


de preek van zondag 21 december 2014 Vierde advent

E-mailadres Afdrukken

Een huis bouwen voor God, dat is wat koning David wil.

De ark is al naar Jeruzalem overgebracht, eindelijk staat hij bij de Davidsburcht, maar nu nog een cederhouten huis, een tempel voor de eeuwige, waarin God wonen kan, waar hij voor altijd bij zijn volk zal zijn. Hij deelt zijn plan met de profeet Natan, die er ook wel voor voelt. Maar God vindt het niks. "Ik heb toch nog nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israël lietenuit Egypte heb geleid tot nu toe. Al die tijd trok ik rond in tent en tabernakel. Overal heb ik met de Israëlieten rondgetrokken en heb ik ooit aan de herders van Israël, die ik had aangesteldom mijn volk te weiden, gevraagd om voor mij een huis van cederhout te bouwen?"

God wil maar zeggen: ik ben een God die meetrekt en dan zou ik me nu moeten settelen? Dat is meer iets voor de mensen, die moeten wonen in huizen van steen, die moeten gerust en veilig zijn. God heeft dat niet nodig, God is niet aan een plaats gebonden. God tabernakelt, 'kampeert' bij de mensen, waar zij zijn, daar zal hij zijn.

Nee, en daar spreekt bijbelse humor uit, zó zal het gaan: "De Heer zegt je dat hij voor jóu een huis zal bouwen". En dan gaat het niet om een paleis, dat heeft David al, maar om een huis van vlees en bloed. Een geslacht: de dynastie van David. En zijn zoon, zijn eigen zoon, zal hem opvolgen en die zal een huis mogen bouwen voor Gods naam. Dat is ook wat anders dan voor God zelf. God woont niet voor vast in huizen van steen of cederhout, maar zijn naam mag er wel geëerd worden. Eredienst kan God nog wel hebben, al moet ook dat geen facade worden, geen vrome show, zo zal blijken als de tempel er eenmaal is. Maar wonen is voor God; overal en nergens thuis. God woont waar de mensen zijn. Maar evenzeer in tenten als in tempels en in vlees en bloed.

Die tempel zal er dus komen, in de stad Jeruzalem. Wij denken dan meteen aan Salomo, de zoon van David. Maar die is er dan nog niet. Die ligt niet eens in de lijn van de verwachting. Want Michal, de vrouw van David, zal kinderloos blijven tot opd edag van haar dood. Reden voor verdriet voor haar en David.

Maar Salomo, wij weten dat, zal worden geboren uit het overspel van David met Bathseba. Of beter gezegd: uit de opdringerigheid en erger van de koning, die zelfs haar man ervoor laat sneuvelen. Toch zal hun zoon de opvolger zijn en de tempel mogen bouwen. Jeruzalem, Sion, zal Godsstad zijn.

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, zo blijkt steeds weer in de bijbel. Zijn weg gaat altijd via de wegen die voor mensen onbegrijpelijk zijn.

En zo zal dat huis voor Gods naam er komen en die tempel zal verbonden zijn aan het huis van David, via Salomo.

Maar belangrijker nog, is dat God zelf een huis geeft aan David, een huis van vlees en bloed, een naam en een geslacht, dat messiaans is, dat zal bijdragen aan recht een gerechtigheid, zelfs al plegen de mensen uit dat huis onrecht en begaan zij zelf ongerechtigheden. Voor ons klinkt dat alles misschien inconsequent. Eerst niet en dan toch wel... Maar wij maken niet uit dat God consequent moet zijn. God maakt zich een naam en geeft zijn genade aan mensen, opdat zijn naam daar zal wonen, onder die mensen. Zijn aanwezigheid is hoe dan ook bij de mensen, zijn sjechina. Hoe, dat maakt God zelf uit. En dat is een hele troost, dat wij dat niet in handen hebben, dat wij daar geen verdienstelijke rol in spelen.

Maar het dient ons tot troost dat God zelf bij mensen onderdak komt, bij de mensen die zich dat nog het minste kunnen voorstellen: de mensen die tot op de dag van vandaag zonder vaste verblijfplaast over de wereld uitzwerven, opgejaagd door oorlogsgeweld en door armoede die het leven onleefbaar maakt. God woonde in de IJsselhallen en hij gaat mee naar Budel of naar ieder dorp waar maar asielzoekers gehuisvest worden. Hij wil wonen waar mensen door Hem op zoek gaan naar een nieuw leven in vrijheid en echtheid, vanuit het vertrouwen op zijn naam, zoals hij de Israelieten uit het slavenhuis Egypte riep. En Hij slaat zijn tent op temidden van de uitzichtloosheid van vluchtelingenkampen en uitzetcentra. Ja, zo wil God wel wonen en meegaan met mensen.

Om dezelfde reden klopt de engel Gabriel aan bij dat joodse meisje Maria, van wie Lukas zegt dat ze een maagd is. Ook bij haar wil God inwonen. Aan haar laat hij dezelfde belofte horen als eens aan David: en zoals hij aan David belooft dat hij een zoon zal hebben en dat zijn koningshuis eeuwig zal voortbestaan, zo komt hij de maagd aanzeggen dat zij zwanger zal worden en een zoon baren, die ze Jezus zal noemen. Hij zal zoon van de allerhoogste genoemd worden en van Godswege de troon van zijn vader David krijgen en zijn koningschap zal geen einde hebben.

Een echo van de belofte aan David, dus, klinkt uit de mond van Gabriel. De Heilige Geest, die aanwezigheid van God, die zich altijd zelf een woonplaats kiest en nooit laat opdringen, zal over haar komen.

Gód is in alles de handelende persoon is. De messias zal voortkomen uit Gods scheppende woord en niet uit menselijke scheppingsdaad. Het gaat niet om de biologie, maar hier wordt geloofstaal gesproken. Want als de engel zegt: "de heilige Geest zal over je komen en de kracht van de allerhoogste zal je als een schaduw bedekken", dan is dat een verwijzing naar andere momenten dat Gods Geest over de wereld kwam en over mensen. De schaduw is een verwijzing naar de wolk die meeging door de woestijn.

Zoals Gods Geest over de wateren zweefde, zoals Genesis het beschrijft: God bezielt zo de aarde die woest en doods is. Maria's maagdelijkheid is als de leegheid van de aarde, waarover Gods Geest nog moest zweven. Pas daarna kwam er léven. Maria geschiedt een Pinkstergebeurtenis. De uitstorting van de Heilige Geest. Als eerste krijgt zij, nog voor zijn geboorte, deel aan de schepping van de nieuwe Adam, de nieuwe mens. En haar maagdelijkheid is er het teken van, dat zij ontvankelijk is, dat zij nieuw land is, als het ware, waarover Gods geest moet komen. En zoals het God niet onmogelijk was de oude Elisabeth een kind te geven, zo is het Hem ook mogelijk om de jonge, nog maagdelijke Maria een kind te geven. Als de engel dit benoemt: "want voor God is niets onmogelijk", wordt Genesis 18 vers 14 geciteerd, waar de oude Sara wordt verkondigd dat zij zwanger zal worden in haar ouderdom.

Zo staan Elisabeth en Maria in de lijn van Sara en vele ander vrouwen, zoals ook Hanna, de moeder van Samuel. Allemaal stammoeders bij wie God op een wonderlijke manier het voor mensen onmogelijk geachte mogelijk maakt, omdat hij in hen een nieuwe toekomst laat beginnen voor mensen die dachten dat ze verloren waren en de hoop maar moesten opgeven. Niet alleen zij zelf, maar juist anderen. De mensen over wie Maria zingt in haar lied: de geringen die aanzien krijgen, de hongerigen worden overladen met gaven. De wereld moet omgekeerd, God slaat een nieuwe weg in en dat begint bij vrouwen, die nooit hadden gedacht dat zij daar nog of nu reeds een rol in zouden spelen.

Maria zegt: "De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd"

Maria wordt tot een levend huis voor God. Zijn zoon, Jesjoea, de naam van God zelf: God redt, zal in haar wonen en opnieuw een plaats onder de mensen hebben. Maria heeft er zelf niet om gevraagd. Ze was niet zo brutaal als David, die een huis van cederhout wilde bouwen voor de Levende die ervoor kiest met mensen mee te trekken in tent en tabernakel. Maria maakt ruimte voor wat God laat gebeuren. Ze is een gestalte van verwachting, een adventsgestalte, in een wereld die uit zichzelf geen hoop, geen verwachting kent, of het moest zijn het verlangen naar vrede of rust. Maria is een en al verwachting. Ze heeft er de ruimte voor. Ze is maagd, zo onervaren in het leven als de aarde voordat Gods zijn geest erover uitademde.

Zo ontvangt ze Gods geest. Ze is een gestalte van Pinksteren. Grote dingen heeft de machtige aan Maria gedaan. Grote dingen doet Hij aan ons allen.

Hij houdt woord en komt wonen in deze wereld. Hij klopt aan en vraagt of wij plaats willen maken voor de hoop, die hijzelf geeft, de hoop op een wereld waarin machtigen van de troon worden gestoten en waar geringen aanzien krijgen.

In die wereld mogen wij wonen. Uit die hoop mogen wij leven en daarvoor mogen wij ons, met Maria inzetten.