RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Onze Heer heeft de belofte van de wederopstanding niet alleen in boeken geschreven, maar in elk blad van de lente." - Maarten Luther


de preek van zondag 9 februari 2015

E-mailadres Afdrukken

Opnieuw staan we met het evangelieverhaal van vandaag in een wereld die ons op het eerste gezicht vreemd is. De wereld van genezing van ziekten en uitwerping van demonen.

Jezus komt uit de synagoge en gaat met Simon Petrus en Andreas naar hun huis, om daar te ontdekken dat de schoonmoeder van Simon met koorts op bed ligt.

"Hij ging naar haar toe, pakte haar bij de hand en hielp haar overeind. Toen verliet de koorts haar en zij begon voor haar te zorgen. "Jezus bevrijdt haar van de koorts, die haar lamlegt. Zo snel gaat dat. Jezus reikt haar de hand, en help haar overeind. Er staat letterlijk: wekt haar op, dat wil zeggen, doet haar opstaan, zet haar weer midden in haar leven, maakt haar weer tot een handelende, niet langer doelloze persoon. Dat blijkt ook uit wat volgt: zij begon voro hen te zorgen. Daar staat letterlijk, met een woord waaraan wij de woorden diaken en diakoniedanken.

Ja, ze gaat meteen weer aan de slag. Zo snel dat je denkt: mag die arme vrouw niet even bijkomen? Is ze alleen maar beter gemaakt om weer te kunnen werken en anderen, met name mannen, te dienen? Het is niet vreemd dat we dat denken. Teksten als deze zijn immers vaak zo uitgelegd: vrouwen zijn er om te dienen. De heren kwamen net uit de dienst in de synagoge en nu wilden ze wel iets drinken. Zo iets. Maar zo is het hier niet bedoeld. Tenminste niet in de betekenis van: vrouwen zijn er om te dienen. Nee, allen zijn er om te dienen, dat zou nog wel te verdedigen zijn. Dat die vrouw koorts had, dat is iets waardoor je niets meer kan. En zeker in de beleving van die tijd was het dat. Koorts nam je helemaal over, het putte je uit. Er was weinig anders tegen te doen, dan het uit te laten razen en te hopen, dat het geen symptoom was van iets ongeneeslijks. Ook nu heeft koorts dat effect nog, al kunnen we meer doen, om het te temperen en het gevaar ervan te dempen.

Maar Jezus neemt haar bij de hand en wekt haar op, waarna de koorts haar verlaat. Dat is een helende, een genezende handeling van Jezus. Daar kijken wij van op, van hoe hij dat doet, hij die geen arts is, die geen geneesmiddelen bij zich had. Maar we moeten uitkijken dat we deze genezende kracht in Jezus niet isoleren van dat andere wat hij doet: verkondigen en het uitwerpen van demonen. Bij verkondigen hebben wij misschien niet zozeer het idee dat daar iets gebeurt wat ons voorstellingsvermogen te buiten gaat, iets dat wij toeschrijven aan bovenmenselijke, goddelijke krachten. Maar dat denken wij wel bij genezen en bij het uitwerpen van demonen. Verkondigen is mensenwerk, denken we dan, maar die andere daden zijn meer dan mensenwerk. Maar voor Marcus is dat toch anders: hij beschrijft alles wat door Jezus gebeurt als dingen die in elkaar verlengde liggen, en onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. We zagen al eerder dat voor Marcus, als het om Jezus gaat, woord en daad gelijk op gaan, twee kanten van de medaille zijn. Waar Gods Woord wordt verkondigd, gebeurt Gods wil ook daadwerkelijk. Gods woord blijft niet krachteloos. En het gebeurt misschien zelf, zonder dat er ook maar een woord klinkt. Want Jezus zit aan haar bed en richt haar op zonder een enkel woord te spreken. En hij geneest daarna nog velen zieken en de demonen gooit hij eruit. Misschien ook wel zonder woorden.

Maar dan, nadat hij aan het bidden was in de woestijn en daar door zijn leerlingen gevonden wordt, gaat hij verder: hij wil weg, naar de dorpen en steden in de buurt om ook daar te verkondigen en demonen uit te werpen.

Jezus zag dus als zijn taak om te verkondigen. Hij verkondigde het rijk van God, dat wil ook zeggen: het koningschap van God, de heerschappij van God tegen alle demonische machten in deze wereld in. Want de macht van God staat tegenover de macht van het kwaad. Dat wordt in Jezus duidelijk. In Jezus laat God zien, hoe hij dat kwaad te lijf gaat: met de macht van het goede. Door de kracht van zijn Woord, dat ook daad is.

Zo makat Jezus weer gezond wat ziek is. Hij bevrijdt mensen van wat hen in de greep houdt, onvrij maakt. Die demonische krachten, dat zijn een soort parasieten. Ze zuigen het leven uit je, ze verlammen je en nemen je over. Daar hoeven we ons niet per se beelden uit een horrorfilm voor te stellen. Onze wereld is nog altijd vol duistere en demonische krachten, die mensen in bezit nemen. In het leven van de enkeling en in het gemeenschappelijk leven. Geweld, conflictueuze en onverzoenlijke houdingen, mensen die zo sterk individualistisch zijn geworden dat ze eigenlijk niet meer aan anderen dan zichzelf kunnen denken, mensen die zozeer in beslag worden genomen door ideeen of denkbeelden of oordelen, dat ze geen ruimte meer hebben om die avn anderen te respecteren. Dat kan ons ook gebeuren en als dat gebeurt en dat is de troost van het evangelie, dan is het goed te weten dat een mens in wat misgaat, in wat verkeerd gaat, in wat hij regelrecht verkeerd doet, niet een op een samenvalt met die verkeerde daad.

Dat is ons allen to troost. Want in zekere zin zijn we er zelf ook slachtoffer van en hebben we bevrijding nodig. Daarom spreekt de bijbel over het kwaad als over een macht, zelfs een bezettende macht. Een macht die op zijn sterkst is in het donker, als we ten prooi zijn aan onze twijfels aan onze zorgen, aan onze wanhoop, als we woelen en draaien. Maar in Jezus staat er iemand op die Gods bevrijdende woord spreekt tegen die macht die zich overal laat zien waar geen ruimte is voor mensen.

Jezus mag in onze ogen een wonderdoener lijken, die dingen doet die in onze tijd onvoorstelbaar zijn, voor het geloof is hij in de eerste plaats een die naast ons komt staan, in onze werkelijkheid, om daar de dingen van God mogelijk te maken. Hij staat er als een van ons, die juist Gods zoon is, door helemaal ons menszijn te delen, die juist Gods macht laat zien in het doorvoelen en doorleven van onze machteloosheid. Maar temidden van die menselijke werkelijkheid spreekt hij Gods bevrijdende Woord en neemt hij ons bij de hand, richt hij ons op. En als we ons laten opwekken, dan kunnen we, net als de schoonmoeder van Simon Petrus, aan de slag met het dienen. In de dienst aan de medemens laten we iets zien van het bevrijd zijn uit onze eigen ik-gerichtheid en doet Christus ons delen in het menszijn zoals dat bedoeld is.

Laten we daarom horen naar Gods Woord, waarmee hij ons in Christus opwekt. Het haalt ons weg uit ons eigen donker en geeft ons richting in het donker van de wereld. Het bevrijdt ons. Tot dienen.