RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God schrijft het evangelie niet in de bijbel alleen. Ook op bomen en in de bloemen en wolken en sterren." - Maarten Luther


de preek van Paasmorgen 5 april 2015

E-mailadres Afdrukken

In het paasverhaal zoals Johannes dat vertelt is het een komen en gaan bij het graf van Jezus. En dat gebeurt in grote snelheid, met een rennende Maria van Magdala, een rennende Petrus en een rennende andere leerling. De gebeurtenissen volgen elkaar in hoog tempo op. Er gebeurt hier veel. Maar laten we ons concentreren op wat er met Maria gebeurt. Zij uiteindelijk, is volgens Johannes de eerste verkondigster van de goede boodschap. Eerst nog niet: ze ziet de steen uit het graf van Jezus weggehaald en gaat dat meteen zeggen aan Petrus en de ander leerling en meld daar haar conclusie: "ze hebben de Heer uit het graf gehaald en we weten niet waar ze hem hebben gelegd". Ze kan het niet anders zien dan zo. De dood heeft haar in zijn greep. Ze ziet een leeg graf en kan allen maar denken: nu hebben ze ook nog zijn lichaam van me afgepakt. Nu is álles ons ontnomen. Ook als ze de twee engelen in het wit ziet zitten in het lege graf, blijft ze daarbij: ze weeklaagt omdat ze haar Heer hebben weggehaald en ze weet niet waar ze hem hebben gelegd. Zelfs als ze zich omkeert en Jezus ziet staan, die ze voor de tuinman aanziet, en hij haar vraagt wat ze zoekt zegt ze: "Heer, als u hem hebt weggedragen, zeg me dan waar u hem hebt neergelegd, dan zal ik op mijn beurt hem daar ophalen"

Ze zegt dan nog Heer, maar dat klinkt dan nog als onns 'meneer'. Nog geen herkenning. Maria is in de greep van de dood van haar Heer. Haar rouw is zo vers en zo groot, dat ze bij dat lege graf alleen maar kan denken: en nu heb ik helemaal niets meer.

Ik moet denken aan al die mensen die in het jaar dat achter ons ligt mensen hebben verloren aan de dood en ook zo hun geliefde uit handen hebben moeten geven als Maria en de leerlingen dat moesten. Bij al het verdriet is het nog even bij je hebben van de gestorvene en daarna het afscheid in kerk of crematorium of nog weer en anders en later een gedenkplek of een eigen gedenkwijze van heel groot belang. Dat wil je niemand ook nog afnemen. Hoe moeilijk moet dat zijn voor de nabestaanden van de passagiers in het neergestorte vliegtuig in de Franse Alpen zijn en voor de nabestaanden van het neergehaalde vliegtuig MH17 boven Oekraine: dat hen niets restte dan DNAprofielen van hun geliefden.

Je moet kunnen rouwen bij je doden. Het is belangrijk, dat je ze nog kunt zien, zodat je kunt beginnen met ze los te laten. Ook voor Maria was dat alles wat ze nog had willen doen voor Jezus. Rond de dood heerst een laatste ernst. Alles moet daar zorgvuldig gebeuren. Dat kunnen we toch begrijpen?

Net zo goed als onze liefde voor Passemuziek te begrijpen is, zoals de Matteus en de Johannespassion en sinds 5 jaar ook the Passion. Het lijden en het sterven van Jezus liggen eigenlijk in de lijn van het normale, het verwachtte. In het lijdensverhaal van zijn lijden, hoe ook verteld of verklankt, kan iedereen ietsherkennen, als het niet uit eigen leven met ervaringen van tekort en verdriet is, dan wel uit dat van een ander of de wereld om ons heen. Zie de mens, zegt Pilatus, als hij Jezus toont als onschuldige die zal lijden. Zie de mens, denken ook wij. Hoe gruwelijk het bij hem ook ging, het ging met hem zoals met velen in deze wrede wereld, ja, zoals met ons allen. Mensen sterven en dat geeft verdriet en daarmee moet je leren leven, hoe moeilijk ook.

Stel, dat wíj dit verhaal hadden moeten navertellen, als dat kon. Hadden wij, heel eerlijk gezegd eigenlijk Jezus dan niet liever in het graf laten liggen? Dat was begrijpelijker geweest, meer in de lijn van wat we kennen en weten van het leven en dus de dood. Dat had ons voorstellingsvermogen niet zo getart als dit vreemde verhaal van een leeg graf en een opgestane Jezus. Dan kwamen we niet steeds weer terecht in die altijd durende discussie over opstanding wel of niet mogelijk. Dat was makkelijker uit te leggen geweest. Dan hadden we Jezus als dierbaar mens herdacht. Dan hadden we misschien wel een wervender geloof gehad in deze tijd waarin de wetenschap veel van onze vragen voldoende beantwoordt. Dan was hij ons alleen tot voorbeeld van menselijkheid geweest en ons tot steun in het leven van alledag, net zoals andere ethisch hoogstaande voorbeelden en leidsmannen en vrouwen.

Maar het verhaal is ons door anderen naverteld en zij, de evangelisten, vertellen ons wat anders. Zij vertellen ons over een leeg graf en berichten over ontmoetingen met Jezus na zijn dood en Paulus, die de oudste bewaarde teksten schreef waarin het opstandingsgeloof wordt verwoord, verkondigt ons van meet af aan Christus als de opgestane Jezus. Dwars tegen alles wat wij op grond van onze ervaring voorstelbaar en aannemelijk vinden. Met dat verhaal moeten wij het doen, hoezeer het ons ook ergeren kan.

"Jezus zegt tot haar: Maria! Zij keert zich om en zegt tot hem in het hebreeuws rabboeni- dat wil zeggen: meester!"

Jezus zelf spreekt Maria aan bij haar naam. Zij, die dacht dat al haar hoop uit handen was geslagen en die zich had moeten verzoenen met zijn dood-zijn en dood-blijvende, hoort haar naam uit de mond van de Levende en zij herkent hem.

En dan wordt alles anders. Het lege graf is niet leeggeroofd. Hij is eruit weggegaan. Hij heeft het achter zich gelaten. Hij leeft, hij ís er. Anders dan voor zijn lijden en sterven. Maar hij ís er. De twee engelen, een aan zijn hoofdeinde en een aan zijn voeteneinde waren als de twee cherubim op de ark in het heilige der heiligen in tabernakel en tempel. Ook de kist die zij bewaakten was leeg, maar daarmee was God nog niet afwezig, verre van dat: juist dit lege midden was een teken van zijn aanwezigheid.

Maria's reactie lijkt laat. Ze komt tot geloof nadat ze hem haar naam heeft horen uitspreken. De leerling, van wie Jezus veel hield, was eerder met zijn herkenning: hij geloofde toen hij de windsels zag liggen, zo keurig opgerold. Dat lijkt directer en in onze ogen misschien 'geloviger'. Maar Maria gelooft omdat de Heer haar direct aanspreekt, voor haar staat en haar naam noemt. Zo wordt zij bij het graf, bij de dood weggeroepen, door de stem van Jezus. En dat is waar het in het geloof om gaat, dat God in Christus ons bij onze naam roept, voor ons komt staan, naast ons, bij ons, in ons, hoe je het ook maar uitdrukt. God kan alleen bestaan voor zover hij er voor ons is, voor u en voor mij.

Aan de opstanding valt niets uit te leggen, niets te verklaren. Wij hebben niet de bewijzen, die niet-gelovigen zouden overtuigen. Wij hebben zelfs geen bewijzen die óns overtuigen. Wel is er de kracht van het geloof, dat volgt op zijn stem, die ons nu even direct aanspreekt als Maria toen. Misschien is die stem die ons net als Maria roept naar het leven roept, wel als het woord waarover Johannes in het begin van zijn evangelie sprak. Jezus Christus is en blijft bij ons als het Woord en hij is er voor ons als opgestane, die ons met God verbindt en bij God terecht brengt.

Laat dat ons paasgeloof zijn: weggestuurd bij het graf van Jezus, mogen we in ons leven antwoorden op zijn stem, die niet minder tot ons klinkt als tot Maria. Een leven in geloof is een leven in het hier en nu, met de nog altijd bestaande realtiteit van de dood en het graf, maar dan wel met onze blik voorgoed gericht naar het leven.

Wij mogen leven met Christus, elke dag. Wij mogen hem navolgen, die ons voorgaat en meegaat.