RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Vergeving is Gods gebod." - Maarten Luther


de preek van zondag 23 augustus 2015

E-mailadres Afdrukken

Het zijn vervreemdende beelden, die we ook deze zomer zien: naast de op gang komende zomertoeristenbewegingen door heel Europa en vooral het middellandse zeegebied, blijven we getuige van een nog altijd gestage stroom aan vluchtelingen die op de kusten van Kos en andere plekken aan wal komen, als ze dat al halen en niet eerder omkomen door verdrinking of verstikking in overvolle scheepsruimen.

En die twee stromen kruisen elkaar, met name op Kos en Lesbos, waar toeristen op het strand of in stad of dorp oog in oog staan met mensen uit Syrie of Irak voor wie geen of nauwelijks opvang geregeld is.

En wat dan te doen, als jouw vakantie-idylle zo verstoord wordt ? Sommigen kiezen ervoor te helpen en geven wat water of eten. Niet omdat ze zo het hele probleem denken op te lossen, maar gewoon, omdat ze doen wat hun handen te doen vinden. Misschien een druppel op de gloeiende plaat van de vluchtelingenproblematiek, maar wel een teken van medemenselijkheid.

In deze dienst denken we na over de situatie waarin veel mensen in de wereld zich bevinden en die de vluchtelingenstromen op gang brengt, waarmee wij hier in het veilige Westen, tot in ons eigen Zwolle, worden geconfronteerd. De mensen die uit Syrie en Eritrea wegvluchten en de Middellandse Zee oversteken, staan voor een klein deel ook bij ons op de stoep. Een andere kant op kijken of erger nog, hen wegkijken verandert daaraan niets. Een deel van hen, hier opgevangen in de IJsselhallen, ontvangen wij ook weer in ons gemeentecentrum. Onze bijdrage aan het verzachten van hun leven, nu ze eenmaal hier zijn. Geen oplossing, wel een daad van betrokkenheid bij hun situatie.

Waarom zouden we dat eigenlijk doen en waarom zouden wij als kerk eigenlijk nadenken over de toestand van vluchtelingen en andere vreemdelingen die naar ons land en onze stad komen? Kunnen we dat niet beter overlaten aan de politiek? Is dat geen zaak voor de gemeenteraad? Als het gaat om hoe om te gaan met toelating en spreiding van de immigranten natuurlijk wel. Maar op het niveau van hoe we als mensen met elkaar omgaan, hoe wij als Zwollenaren omgaan met de vragen rond de grote wereldproblemen die ons nu rechtsreeks, met mensenogen aankijken, gaat het ons wel degelijk aan. Niet alleen hen, die nu al als vrijwilligers actief zijn, maar ons allen. Het is een vraag die ons geloof direct raakt, waar wij vanuit ons geloof over moeten nadenken.

Vandaar deze dienst en het nagesprek erna. Vandaar de teksten uit Deuteronomium en uit het Matteusevangelie warain de vreemdeling, de zwerver te gats ons voor ogen wordt gesteld..

"Gedenken zul je, dat je dienstknecht geweest bent in Egypte, en de Ene, je God, je daaruit heeft losgekocht; daarom gebied ik je te doen, dit woord!" in de Naardense vertaling.

Een sleutelzin in het eerste Testament, vooral in de Torah, de eerste vijf boeken, waarin wordt verhaald over de bevrijding uit Egypte. De doortocht door de zee en het leven in de woestijn, die tussenruimte tussen angstland en beloofde land, waar wel reeds de vrijheid, maar nog niet de veiligheid werd ervaren. De verhalen werden opgeschreven om verder verteld te kunnen worden aan het einde vande ballingschap en in een tijd dat men al weer enige tijd ervaring had met het wonen tussen eigen grenzen, met zelfstandigheid en vrijheid. Maar het besef dat deze vrijheid niet vanzelf sprak en dat men haar met veel moeite had bereikt, bleef men levend houden, evenals het geloof dat men dit niet op eigen kracht, maar door Gods hulp had verkregen: "Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte, totdat de Heer, uw God, u heeft bevrijd.", in de NBV.

Het weerklinkt steeds opnieuw als een refrein door de hele Schrift. Het bewijst dat in elke episode van zijn bestaan, het joodse volk, steeds weer teruggreep naar die oerervaring. Het was in zekere zin een sleutel tot empathie: als je je wilt voorstellen hoe iemand uit een ander volk zich voelt op vreemde bodem, bedenk dan maar hoe het ooit was voor jou eigen volk, waar jij deel van uitmaakt. Alsof het gisteren was, dat jouw volk, dat jij zelf in onderdrukking leefde en alsof je vandaag nog in de vrijheid bent gesteld. Zo moet je leven: vol compassie met hen die de onderdrukking nog doormaken of er net aan ontkomen zijn en schat de vrijheid die je nu beleeft op waarde, prenten deze woorden ons in. En natuurlijk zat de ervaring van de babylonische ballingschap, nog vers in het gehuegen.

Vreemdeling zijn in die tijden waarin deze verhalen werden opgeschreven, betekende: op jezelf teruggeworpen zijn en vooral overgeleverd zijn aan de welwillendheid van de mensen bij wie je als bijwoner te gast leefde, of bij wie je in het land kwam, na elders vandaan te zijn gevlucht of na elders vandaan te zijn gegaan om de honger of de armoede te ontkomen. Het waren de asielzoekers van die tijd, die door oorlog of onderdrukking bescherming zochten in Israel. Maar het waren ook de mensen die wij tegenwoordig gelukzoekers noemen: mensen die om nijpende economische omstandigheden hun land verlieten.

Een geregelde opvang of sociale voorzieningen zoals wij die kennen, waren er niet; je moest het over het algemeen zelf zien te redden, wat meestal betekende dat je een leven in armoede leidde, net als de wees en de weduwe. Maar net als hen had je wel het recht er te zijn en als je er was, dan golden er minimale verplichtingen aan de joden om ervoor te zorgen dat jouw leven niet onmogelijk werd.

Onder die harde omstandigheden klinken dan ook de geboden uit de Torah, als een soort van minimale waarborg voor de rechten van vreemdelingen te gast. De resten van de oogst blijven liggen voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. En anders dan in onze door en door efficiënte tijden, bleef er zo net genoeg over om een maaltje bij elkaar te scharrelen. Denkt u maar aan het verhaal van Ruth, ook een gelukzoeker. Natuurlijk was het geen vetpot, maar het bood in elk geval enig soelaas tegen de grootste honger en armoede.

Natuurlijk waren er toen geen Verenigde Naties die de rechten van vluchtelingen omschrijven. Landen stonden ofwel op zichzelf en dan was het buurland hooguit een land waarmee een wankele vrede bestond, ofwel landen maakten deel uit van een groter rijk. Maar de Torah is een wetboek op zichzelf, dat zoekt naar de leefbaarheid voor ieder mens en voor de leefbaarheid van de bevolking in haar geheel. Daarom is wat hier wordt gezegd ook niet zomaar een mogelijkheid, maar een gebód: "...dáárom gebied ik je te doen, dit woord"

Als wij belijden dat wij als kerk verbonden zijn met de boeken, de wijsheden, de wetten en voorschriften uit de hebreeuwse bijbel, en dat belijden wij immers, dan gaat dit woord ook ons aan. En een woord is altijd ook een daad. Wij moeten ernaar handelen. Wat betekent dat in ons geval? Ten dele dat wij onze deelverantwoordelijkeheid nemen voor hen die al bij ons zijn. Daar zijn we ook al mee begonnen, samen met andere kerken. We veranderen er niet alles mee, maar het draagt wel bij aan het beoefeen van medemenselijkehid ten opzichte van mensen die geen andere weg meer zagen in hun leven, dan onze kant op. Terwijl we overal nu ook de houding van velen zien verharden: in Macedonië, maar ook in Duitsland en vast ook bij mensen in ons eigen land. Het ís ook beangstigend, die enorme ontwrichting in de wereld, die wij zien en het stelt ons ook voor vragen als: wat blijft er, bij zovelen die van buiten komen, nog van ons, van onze cultuur, van onze voorzieningen, van onze samenhang in de samenlevening, over? Mogen we geen helemaal onderscheid maken tussen vluchtelingen en emigranten om economische redenen? Zijn al die mensen die komen wel betrouwbaar en zitten er niet teveel engerds bij, zoals strijders van IS?

Kunnen we niet beter opvang dichtbij de conflictgebieden organisren?

Vragen waar we straks, na de dienst, ook over kunnen doorpraten.

De bijbel geeft ons geen pasklaar antwoord, maar stelt ons wel steeds de vraag ons te verplaatsen in de mensen die weggevlucht zijn en hier komen, in ons land, in Europa. Daarmee wordt de vraag naar hoe om te gaan met de vluchtelingen een vraag die ons er met onze eigen haren bijtrekt. Ook onze invoelendheid wordt gevraagd. Of we ons allemaal kunnen beroepen op een ervaring zoals Israel in ballingschap of Israel in Egypte en, de meer recente geschiedenis, het joodse volk onder de vervolgingen en vernietigingen tot in de 20e eeuw, dat zal misschien niet zo duidelijk voelen, maar laten we niet vergeten wat voor een verschrikkelijke oorlogsgeschiedenis de Europese eenwording noodzakelijk heeft gemaakt. Ons continent is decennia lang zelf ontheemd geweest, van 1914 tot en met 1945 en eigenlijk lang daarna, door al de landen die gezucht hebben onder het stalinistische communisme.

Jezus, de mensenzoon zelf, zet de zaak op scherp, als hij ons de troon van de mensenzoon voor ogen stelt, waar onder de volken de scheiding tusen bokken en schapen plaatsvindt. Het criterium waarmee dat onderscheid wordt gemaakt is dit: wat heb je gedaan voor de hongerigen, de dorstigen, de vreemdelingen, de naakten, de zieken, de gevangenen, - de kwetsbaarsten in de wereld, de geringsten, dus- , dat heb je voor mij gedaan.

Wij ontmoeten Christus zelf in de kwetsbaarste mensen. Wij ontmoeten Hem in zijn Woord, het evangelie, in de sacarmenten van doop en avondmaal en in mensen, de geringsten allereerst. Waar zij zijn, vinden wij ook Christus. In Hem komt de God die wij als Almachtige belijden zo menselijk nabij als iemand die gebrek lijdt, gevangen zit of vreemdeling is. De menswording van God is ook daarin te ervaren.

En daarom: als Christus daar is, moeten ook wij daar te vinden zijn.