RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Mooie muziek is de kunst van de profeten. Het kan onze ziel rustig maken. Muziek is een van de meest prachtige en heerlijke cadeau's die God ons heeft gegeven." - Maarten Luther


De preek van Pinksterzondag 15 mei 2016

E-mailadres Afdrukken

OVERDENKING BIJ HANDELINGEN 2 VS 1 T/M 11

Twee uitspraken wil ik u meegeven op deze Pinksterdag. Beide hebben voor mijn gevoel te maken met de betekenis van wat er met Pinksteren gebeurt. De eerste is een zin die ik af en toe bij mezelf naar boven haal, van de schrijfster Hella Haase:

Het wonder van het miljoenenvoudig gesplitst zijn en toch één zijn van de wereld beneemt mij de adem

Als je er bij stil staat is het een groot wonder dat er zoveel verschillen zijn in de manier waarop het leven zich manifesteert en dat het op de een of andere manier toch ook een eenheid vormt. De veelheid en de bontheid- en de eenheid erachter.

De tweede uitspraak is ook van een schrijver, een dichter, Auden, ik kwam ‘m een keer tegen en heb hem genoteerd.

Een gemeenschap is een groep mensen verenigd door de liefde voor iets of iemand buiten henzelf.

Bij Pinksteren gaat het om het vele en het ene, om de enkeling en de gemeenschap.

Het Pinksterverhaal vertelt dat allen bij elkaar waren en allen vervuld werden van de Heilige Geest. Allen, dat is de groep, het geheel. Maar er wordt daar ook verteld van vlammen die zich op ieder van hen neerzetten en van woorden die ieder verstond in zijn eigen taal. Ieder: dat is de enkeling, ieder mens afzonderlijk, het individu. Dat woord betekent letterlijk: een ondeelbare eenheid.

In ieder van ons leven twee verschillende verlangens. Aan de ene kant het verlangen om een ik, een eigen persoon, een zelf te zijn. En aan de andere kant het verlangen om bij anderen te horen, niet alleen te staan, een wij te zijn.

Er zijn mensen in wie het ene verlangen sterker is dan het andere. Er zijn mensen die zich heerlijk voelen in een groep en het liefst altijd mensen om zich heen hebben. Er zijn ook mensen die zich het prettigst voelen als ze alleen zijn en hun eigen gang kunnen gaan. 

Vaak wordt het ene voorgesteld als beter dan het andere. Alsof graag op jezelf zijn per definitie asociaal zou zijn. Of omgekeerd alsof graag deel uit willen maken van een groep zou wijzen op een gebrek aan onafhankelijkheid. Alsof niet beide even wezenlijk zijn voor ons mens-zijn. Alsof deze twee elkaar niet altijd nodig hebben.

Alleen wie goed alleen kan zijn, wie goed met zichzelf en bij zichzelf kan zijn, kan ook goed bij anderen zijn: die hoeft het samenzijn met anderen niet te schuwen en raakt zichzelf in een groep niet kwijt.

En alleen wie zich werkelijk met anderen kan verbinden kan ook goed alleen zijn: die neemt deze verbondenheid mee op de momenten dat hij/zij alleen is en ervaart zichzelf ook dan als meer dan zichzelf, als deel van een geheel.

Het is een levenslange opgave om dat te leren: goed bij jezelf zijn en goed bij anderen zijn.

Het is wezenlijk dat we in de kerk op beide worden aangesproken, op ons ik-zijn, onze eigen persoon, die ondeelbare eenheid, én op ons bestaan als wij.

Mogelijk zijn we in de kerk wel eens te krampachtig gericht op de eenheid van de groep. Zoeken we de veiligheid van het wij uit angst voor de verscheidenheid van al die verschillende ikken, met al hun verschillende gedachten en meningen. En vertrouwen we veel te weinig op de eenheid en de vrijheid die uit God is.

Waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid , zo zegt Paulus het ergens in de brief aan de Korinthiërs. Vrijheid is het tegenovergestelde van angst en kramp. Vrijheid is het tegenovergestelde van groepsdwang.

Wat mij in de bijbelse verhalen telkens weer treft is hoe, in een tijd dat mensen veel meer dan nu bepaald werden door het leven in de groep, er toch steeds zoveel aandacht uitgaat naar de enkeling, naar de persoonlijke geschiedenis van mensen. En ik geloof dat vrijheid daar altijd mee te maken heeft: met de ruimte die er is voor de enkeling en het gewicht dat wordt toegekend aan ieder afzonderlijke persoon, aan ieders eigen aard en eigen aardigheden, eigen gaven, eigen vragen, eigen verantwoordelijkheid en eigen mening. Als dat op de een of andere manier in de verdrukking komt, dan gaat er iets grondig mis.

Ik denk dat je het feit dat de vrijheid van meningsuiting tegenwoordig in onze Westerse samenleving zo hoog in het vaandel staat, niet los kunt zien van de bijbelse achtergrond van deze aandacht voor de enkeling. En ik geloof dat die ruimte voor het individu, dat ondeelbare geheel, inderdaad een groot en belangrijk goed is: een verworvenheid waar we niet te licht over moeten denken en die ook verdedigd mag worden.

Als dan ook de andere kant maar niet wordt vergeten: dat een mens, ieder mens, niet alleen bestaat uit een ik  maar ook uit een wij, deel is van een geheel. Als mensen niet bereid zijn om dat wij  te erkennen en daar moeite voor willen doen –en voor ieder wij moet je ook altijd moeite doen- gaat er op een andere manier evenzeer iets grondig mis.

Als het individu niet gezien wordt als horend bij een gemeenschap en vrijheid van meningsuiting opgevat wordt als gewoon alles kunnen zeggen wat je denkt alleen omdat jij dat wilt, -als die mening geen deel uitmaakt van een gemeenschappelijk gesprek, een luisteren naar en reageren op elkaar, -dan verkeert die vrijheid in zijn tegendeel.

Het wonder van Pinksteren zie ik als het volmaakte samengaan van deze twee: van de enkeling en de gemeenschap, van het ieder en het allen, van de eigen geschiedenis en het grote, gemeenschappelijke, wereldomvattende verhaal. Ieder in zijn eigen taal hoorde spreken over de grote daden Gods.  Pinksteren, dat is de eenheid van het ik in het wij en het wij in het ik, door een liefde die deze twee op elkaar betrekt. Het is de genezing van de tweespalt die deze twee steeds weer uit elkaar wil trekken en tegen elkaar uit wil spelen en onze wereld steeds weer verscheurt in bloedige conflicten. Pinksteren is het feest van de vervulling en voltooiing van Gods schepping, door het deelhebben aan een allesoverstijgende vrede en heelheid,  -die tegelijkertijd geboren worden van binnen, in het hart van de enkeling en daarbuiten, in het grote geheel van de wereld.  

Pinksteren is ook het verhaal van de geboorte van de kerk, van een groep mensen die worden verenigd door de liefde voor iets en voor iemand buiten henzelf, - en het maakt nogal wat uit wat of wie het is die hen verenigt, om wat voor wij het gaat. Pinksteren is het verhaal van mensen die gegrepen zijn door de kracht van de liefde, als een vuur dat plotseling helder oplaait. Waardoor ze tot hun eigen verwondering plotseling iets gaan begrijpen van het doel van deze wereld, de eenheid van dit leven en elkaar daarin vinden. In het verhaal van Pinksteren wordt een eenheid en een eenvoud zichtbaar die mensen niet eerst zelf hoeven te verwezenlijken maar die er al is, die uit God is. Die de basis is van alles, het doel dat aan het leven is meegegeven, de reden waarom we hier zijn, al vergeten we die nog zo vaak, de grond waarop je mag staan en waarop je mag vertrouwen. En die betekent dat je nooit bang hoef te zijn voor het anders-zijn van de ander, omdat die is opgenomen in die eenheid.

Tegelijkertijd gaat het natuurlijk ook om een eenheid die nog waar moet worden, omdat er zoveel is dat haar weerspreekt, bedreigt en kapot maakt, is de eenheid een visioen, een opdracht, een werkelijkheid ver boven ons uit. En worden we uitgedaagd om die werkelijkheid te zoeken door alles heen en eraan bij te dragen wat we kunnen.

Ieder van ons op onze eigen manier, vanuit een eigen verstaan, met onze eigen gaven, met onze eigen kracht, -de kracht van de liefde, die ons ver boven onszelf uit doet stijgen.


Iemke Epema.

 

OVERDENKING BIJ HANDELINGEN 2 VS 1 T/M 11

 

Twee uitspraken wil ik u meegeven op deze Pinksterdag. Beide hebben voor mijn gevoel te maken met de betekenis van wat er met Pinksteren gebeurt. De eerste is een zin die ik af en toe bij mezelf naar boven haal, van de schrijfster Hella Haase:

 

Het wonder van het miljoenenvoudig gesplitst zijn

en toch één zijn van de wereld

beneemt mij de adem

 

Als je er bij stil staat is het een groot wonder dat er zoveel verschillen zijn in de manier waarop het leven zich manifesteert en dat het op de een of andere manier toch ook een eenheid vormt. De veelheid en de bontheid- en de eenheid erachter.

 

De tweede uitspraak is ook van een schrijver, een dichter, Auden, ik kwam ‘m een keer tegen en heb hem genoteerd.

 

Een gemeenschap is een groep mensen verenigd                                                                           door de liefde voor iets of iemand buiten henzelf

 

Bij Pinksteren gaat het om het vele en het ene, om de enkeling en de gemeenschap.

 

Het Pinksterverhaal vertelt dat allen bij elkaar waren en allen vervuld werden van de Heilige Geest. Allen, dat is de groep, het geheel. Maar er wordt daar ook verteld van vlammen die zich op ieder van hen neerzetten en van woorden die ieder verstond in zijn eigen taal. Ieder: dat is de enkeling, ieder mens afzonderlijk, het individu. Dat woord betekent letterlijk: een ondeelbare eenheid.

 

In ieder van ons leven twee verschillende verlangens. Aan de ene kant het verlangen om een ik, een eigen persoon, een zelf te zijn. En aan de andere kant het verlangen om bij anderen te horen, niet alleen te staan, een wij te zijn.

 

Er zijn mensen in wie het ene verlangen sterker is dan het andere. Er zijn mensen die zich heerlijk voelen in een groep en het liefst altijd mensen om zich heen hebben. Er zijn ook mensen die zich het prettigst voelen als ze alleen zijn en hun eigen gang kunnen gaan. 

 

Vaak wordt het ene voorgesteld als beter dan het andere. Alsof graag op jezelf zijn per definitie asociaal zou zijn. Of omgekeerd alsof graag deel uit willen maken van een groep zou wijzen op een gebrek aan onafhankelijkheid. Alsof niet beide even wezenlijk zijn voor ons mens-zijn. Alsof deze twee elkaar niet altijd nodig hebben.

 

Alleen wie goed alleen kan zijn, wie goed met zichzelf en bij zichzelf kan zijn, kan ook goed bij anderen zijn: die hoeft het samenzijn met anderen niet te schuwen en raakt zichzelf in een groep niet kwijt.

 

En alleen wie zich werkelijk met anderen kan verbinden kan ook goed alleen zijn: die neemt deze verbondenheid mee op de momenten dat hij/zij alleen is en ervaart zichzelf ook dan als meer dan zichzelf, als deel van een geheel.

 

Het is een levenslange opgave om dat te leren:                                                   goed bij jezelf zijn en goed bij anderen zijn.

 

Het is wezenlijk dat we in de kerk op beide worden aangesproken, op ons ik-zijn, onze eigen persoon, die ondeelbare eenheid, én op ons bestaan als wij.

 

Mogelijk zijn we in de kerk wel eens te krampachtig gericht op de eenheid van de groep. Zoeken we de veiligheid van het wij uit angst voor de verscheidenheid van al die verschillende ikken, met al hun verschillende gedachten en meningen. En vertrouwen we veel te weinig op de eenheid en de vrijheid die uit God is.

 

Waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid , zo zegt Paulus het ergens in de brief aan de Korinthiërs. Vrijheid is het tegenovergestelde van angst en kramp. Vrijheid is het tegenovergestelde van groepsdwang.

 

Wat mij in de bijbelse verhalen telkens weer treft is hoe, in een tijd dat mensen veel meer dan nu bepaald werden door het leven in de groep, er toch steeds zoveel aandacht uitgaat naar de enkeling, naar de persoonlijke geschiedenis van mensen. En ik geloof dat vrijheid daar altijd mee te maken heeft: met de ruimte die er is voor de enkeling en het gewicht dat wordt toegekend aan ieder afzonderlijke persoon, aan ieders eigen aard en eigen aardigheden, eigen gaven, eigen vragen, eigen verantwoordelijkheid en eigen mening. Als dat op de een of andere manier in de verdrukking komt, dan gaat er iets grondig mis.

 

Ik denk dat je het feit dat de vrijheid van meningsuiting tegenwoordig in onze Westerse samenleving zo hoog in het vaandel staat, niet los kunt zien van de bijbelse achtergrond van deze aandacht voor de enkeling. En ik geloof dat die ruimte voor het individu, dat ondeelbare geheel, inderdaad een groot en belangrijk goed is: een verworvenheid waar we niet te licht over moeten denken en die ook verdedigd mag worden.

 

Als dan ook de andere kant maar niet wordt vergeten: dat een mens, ieder mens, niet alleen bestaat uit een ik  maar ook uit een wij, deel is van een geheel. Als mensen niet bereid zijn om dat wij  te erkennen en daar moeite voor willen doen –en voor ieder wij moet je ook altijd moeite doen- gaat er op een andere manier evenzeer iets grondig mis.

 

Als het individu niet gezien wordt als horend bij een gemeenschap en vrijheid van meningsuiting opgevat wordt als gewoon alles kunnen zeggen wat je denkt alleen omdat jij dat wilt, -als die mening geen deel uitmaakt van een gemeenschappelijk gesprek, een luisteren naar en reageren op elkaar, -dan verkeert die vrijheid in zijn tegendeel.

 

Het wonder van Pinksteren zie ik als het volmaakte samengaan van deze twee: van de enkeling en de gemeenschap, van het ieder en het allen, van de eigen geschiedenis en het grote, gemeenschappelijke, wereldomvattende verhaal. Ieder in zijn eigen taal hoorde spreken over de grote daden Gods.  Pinksteren, dat is de eenheid van het ik in het wij en het wij in het ik, door een liefde die deze twee op elkaar betrekt. Het is de genezing van de tweespalt die deze twee steeds weer uit elkaar wil trekken en tegen elkaar uit wil spelen en onze wereld steeds weer verscheurt in bloedige conflicten. Pinksteren is het feest van de vervulling en voltooiing van Gods schepping, door het deelhebben aan een allesoverstijgende vrede en heelheid,  -die tegelijkertijd geboren worden van binnen, in het hart van de enkeling en daarbuiten, in het grote geheel van de wereld.  

 

Pinksteren is ook het verhaal van de geboorte van de kerk, van een groep mensen die worden verenigd door de liefde voor iets en voor iemand buiten henzelf, - en het maakt nogal wat uit wat of wie het is die hen verenigt, om wat voor wij het gaat. Pinksteren is het verhaal van mensen die gegrepen zijn door de kracht van de liefde, als een vuur dat plotseling helder oplaait. Waardoor ze tot hun eigen verwondering plotseling iets gaan begrijpen van het doel van deze wereld, de eenheid van dit leven en elkaar daarin vinden. In het verhaal van Pinksteren wordt een eenheid en een eenvoud zichtbaar die mensen niet eerst zelf hoeven te verwezenlijken maar die er al is, die uit God is. Die de basis is van alles, het doel dat aan het leven is meegegeven, de reden waarom we hier zijn, al vergeten we die nog zo vaak, de grond waarop je mag staan en waarop je mag vertrouwen. En die betekent dat je nooit bang hoef te zijn voor het anders-zijn van de ander, omdat die is opgenomen in die eenheid.

 

Tegelijkertijd gaat het natuurlijk ook om een eenheid die nog waar moet worden, omdat er zoveel is dat haar weerspreekt, bedreigt en kapot maakt, is de eenheid een visioen, een opdracht, een werkelijkheid ver boven ons uit. En worden we uitgedaagd om die werkelijkheid te zoeken door alles heen en eraan bij te dragen wat we kunnen.

 

Ieder van ons op onze eigen manier, vanuit een eigen verstaan, met onze eigen gaven, met onze eigen kracht, -de kracht van de liefde, die ons ver boven onszelf uit doet stijgen.

 

 

 

 

a