RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"

Ons leven is een leven midden in de dood. En toch blijft ook midden in de dood de hoop op het leven aanwezig.

" - Maarten Luther


De preek van zondag 10 juli 2016

E-mailadres Afdrukken

Gemeente van Jezus, beste mensen,

De intensive care afdeling. Ik stap een familiekamer in. Ontredderd zit ze daar. Ik kan er geen ander woord voor verzinnen. De plotselinge schok van de opname van haar geliefde man. Angstig. Onzeker. Ze zit, huilt, praat. En huilt dan weer. "Ik kan het niet geloven", zegt ze. "Nee, nee....". Familieleden zijn allemaal nog ver weg, onderweg naar het ziekenhuis. Kinderen heeft ze niet in de buurt, ja een zoon in Oostenrijk. Maar ze is niet alleen. Die vrouw uit de kerk is bij haar. Liefdevol troostend nabij. Een hand op haar hand. "Hier, neem een hap brood, je moet wat eten?" Om haar heen weven mensen een web van verbondenheid. "Nee, we laten je niet alleen, er is iemand bij je." De ene gaat, de ander komt. Buurvrouw, verre nicht. Als ik aan het eind van de dag naar huis ga, is mijn collega is stand by om bij haar te gaan zitten. "Je bent niet alleen." Ieder van de mensen om haar heen heeft oog voor de eigen belangen én voor die van haar. Ieder maakt zich leeg om er werkelijk voor haar te zijn.

Het deed mij denken aan: jezelf leeg maken om een ander te kunnen binnenlaten. Zonder wapens van opgeblazen eigenwaan of geldingsdrang de ander tegemoet treden. Je overgeven aan wat nu belangrijk is: er zijn. Dat is: vrede brengen. Vrede in barre tijden. Wapen je met vrede, zoiets.

Waanzinnig veel wapens stapelen we in ons leven in ons depot op om de dingen van het leven tegemoet te treden. Daarachter wanen we ons veilig. Daarmee lijkt het overzichtelijk te blijven. Iemand vertelde me van de week over zijn wapen: het denken. Door alles rationeel te benaderen, had hij een pijnlijk verdriet uit zijn jonge jaren weten te overleven en gepoogd te verwerken. En dan kom je gebroken in het ziekenhuis en slijp je die vertrouwde wapens en probeer je het daarmee te redden: maar het werkt niet. Je ziet dat je met de bewapening van vroeger in het nu niet uit de voeten kunt. Hij zei het wel treffend: "ik had nooit zoveel op met types als jij, die vragen naar hoe het met je gaat en je gevoel raken. Nu zie ik dat dat nu wel de weg is om te gaan. Ik sta rationeel gezien met lege handen."

Paulus, de brievenschrijver, weet hoe dat werkt bij mensen, bij groepen mensen. Hij schrijft aan de gemeente in Filippi. Want hij weet dat er daar dingen mis gaan. Tweedracht, gedoe met vrijheid en verbondenheid, wetten en de vrijheid van de geest. Zoals in veel groepen, samenlevingen, landen. Vanuit de gezamenlijke verbondenheid in Christus vertelt hij hoe hij het ziet, de ontwapening, de samenwerking, het gemeentezijn. Pijlers daarvan: bemoediging, troost, verbondenheid met de Geest, ontferming en medelijden. En daardoor eensgezindheid.

Die woorden zou je zo aan de gevel van ons ziekenhuis kunnen plakken. Of eigenlijk: ze staan levensgroot in de missie en visie van Isala: daarin gaat het over werken met hart en ziel, over van betekenis zijn voor mensen op cruciale momenten in hun leven, over zorg bieden met compassie (dat is hetzelfde woord als medelijden). Het aardige aan de brief van Paulus is dat hij die waardevolle woorden noemt en tegelijkertijd zicht biedt op de moeilijke kanten ervan. Want hoe vaak belanden we zelf ook niet in het moeras van eigenwaan. Hoe vaak doen of laten we dingen niet uit geldingsdrang. Kunnen we dat echt, de ander belangrijker achten dan onszelf? Is dat niet het moeilijkste wat er is, je eigen belangen even hoog achten als de belangen van de ander?

Paulus zegt: kijk naar hoe Christus dat deed. Misschien dat dat je iets kan helpen. Christus wordt mens. Knecht zelfs. Hij knapt het vuile werk op. Die gezindheid is het waar Paulus toe oproept. Kleine tegenbewegingen. Gewoon de IJsselhallen openstellen om gevluchte syriers te ontvangen en onderdak te verlenen. Gewoon op zondag naar Isala komen om als vrijwilligers patiënten te begeleiden naar de kerkdienst. Gewoon hier naar de lutherse kerk komen op een doordeweekse dag om te vergaderen over wat dan ook. Gewoon met een ontredderde mevrouw meekomen en naast haar zitten. Gewoon beschikbaar zijn bij nacht en ontij voor wie je nodig heeft.

Nog even over die wapens. Het is ontluisterend als we om ons heen kijken in de grote wereld, wat er gebeurt in Syrië, in Bagdad, en op zoveel plekken. Daar zit voor mij een grote knoop ook in dit stuk tekst en ook in de oproepen tot vrede vanuit christelijk perspectief. We nemen net zo lief met ons allen de wapens op om ons gelijk te bevechten. Wereldwijd en in het klein.

Ik las woorden van de dichter Lucebert:

ik heb in het gras mijn wapens gelegd

en mijn wapens gaan geuren als gras

Maar hoe het moet? Hoe je dat doet? Leeg en zonder wapens en je overgevend de ander tegemoet treden? Het gaat haast vanzelf, wil ik me dan wel verdedigen: als de een de wapens tegen mij opheft, pak ik ook mijn zwaard. Als iemand boos tegen me schreeuwt, moet ik dan altijd maar ontwapenend rustig blijven? Als het ene land mijn land aanvalt, moet ik dat dan maar laten gebeuren? Zo simpel is het niet.

In het gras je wapens leggen kunnen we wel en doen we ook al. Als we ons verbonden voelen in de geest, gaat dat nog beter. De maskers en wapenuitrustingen laten zakken. Ruimte maken voor de ander. Vanuit de ruimte voor jezelf. En tijd. Aandacht. Lege tijd, bijvoorbeeld in het ziekenhuis. Desnoods uren naast haar zitten, naast de ontredderde. Het uithouden naast die actieve zeventiger die niet meer verder wil. En er tegelijkertijd kunnen zijn voor haar partner die niet zonder haar verder wil. Desnoods de tijd even stilzetten en heel gefocusd praten over je ziekte en je toekomst. Hier en nu. Zonder belangen en eigenwaan.

Weet je wat het gekke is: het lijkt zo veilig achter die muur met prikkeldraad en met die zwaarden in je hand. Want het hielp je ooit. Maar je bent uiteindelijk veiliger in de jou gegeven ruimte van lege tijd, ontwapening en overgave.

Amen

Nazomer - Lucebert

ik heb in het gras mijn wapens gelegd

en mijn wapens gaan geuren als gras

ik heb in het gras mijn lichaam gelegd

mijn lichaam is geurig als hout bitter en zoet

dit liggen dit nietige luchtige liggen

als een gele foto liggend in water

glimmend gekruld op de golven

of bij het bos stoffig van lichaam en schaduw

oh grote adem laat de stenen nog niet opstaan

maak nog niet zwaar hun wangen hun ogen

kleiner gebrilder en grijzer

laat ook de minnaars nog liggen en stilte

zwart tussen hun zilveren oren en ach

laat de meisjes hun veertjes nog schikken en glimlachen