RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God schrijft het evangelie niet in de bijbel alleen. Ook op bomen en in de bloemen en wolken en sterren." - Maarten Luther


De preek van zondag 11 september 2016

E-mailadres Afdrukken

Onze politieke actualiteit waarin schreeuwers het voor het zeggen hebben, die de islam niet aanzien als een wereldgodsdienst maar als een ideologie, die moslims afdoen als derderangs burgers, die de moskee willen sluiten en de Koran beschouwen als rijp voor de brandstapel, - deze realiteit brengt met zich mee dat het ons past bij de lezingen uit de bijbel ook zo nu en dan, ter vergelijking, ook de Koran op te slaan, uit solidariteit met onze 'broeders en zusters van het boek'. Vandaag over de dans rond het gouden kalf. Ja, dat verhaal komt ook in de Koran voor, tweemaal zelfs, in verband met afgoderij.

Maar er is wat bijzonders met dat kalf. Het is op de een of andere manier bezield, betoverd. Er wordt namelijk verteld dat toen al het goud werd omgesmolten, iemand er een handvol aarde van een voetstap van de engel Gabriel bij heeft gedaan. En dus doet het gouden kalf van zich horen, het is bezield, een brullend beest, het loeit.

De Bijbel vertelt dat het gouden kalf een glanzend zichtbaar en tastbaar en hanteerbaar alternatief is voor de Onzienlijke, die – heel onhandig – nooit aan te wijzen, nooit aan te duiden is.

De Koran voegt daaraan toe dat het gouden kalf ook een heel aansprekend alternatief is, het loeit, het doorbreekt de stilte.

Nee, wij maken geen gouden en zilveren beelden van God, maar daar gaat het niet om. Het gaat om onze denkbeelden: beschouwingen, vastomlijnde opvattingen, de voorwaarden die wij stellen waar een beetje God toch wel aan moet voldoen, de eigen invulling die wij daaraan geven. Het gaat overigens ook om onze denkbeelden over anderen: de beelden van hen die wij staande houden in roddels en achterklap.

Nu is de bijbel in de voorstelling van het gouden kalf – eigenlijk een vergulde stier – nogal suggestief en bevooroordeeld.

Waar het om gaat is dat in de tijd na David en Salomo het rijk scheurde in twee koninkrijken: dat van Jerobeam in het Noorden en dat van Rechabeam in het Zuiden. Daar in het Noorden wilde koning Jerobeam bij al zijn politieke aspiraties ook de cultus naar zijn hand zetten, om te voorkomen dat zijn volksgenoten naar de tempel in Jeruzalem zouden trekken. Zo gaat dat, dat is van alle tijden: de macht bedient zich graag van de religie.

Dus tuigde hij twee oude cultusplaatsen op: Betel en Dan, plaatste daar gouden kalveren – vergulde stierenbeelden –, zei: 'Dit zijn de goden die u uit Egypte hebben geleid', installeerde er priesters en ging zelf voor in de offerdienst.

Dat is de achtergrond van dit verhaal. De zonde van Jerobeam is hier naar voren geschoven in die alles beslissende woestijntijd. Het is geprojecteerd op de reis van de kinderen Israëls van Egypte naar het beloofde land. Deze tendens tot afgoderij wordt daar al uitgewezen en met dat al heel tendentieus weergegeven.

De eerlijkheid gebiedt mij te vertellen dat die gouden kalveren van Betel en Dan in werkelijkheid níet beschouwd werden als beelden van God. Ze dienden niet ter aanbidding. Die gouden kalveren waren in feite niets anders dan wat de heilige arke in de tempel van Jeruzalem was: een troon, de rustplaats voor de voeten van de Allerhoogste. Niet de plaats waar God zijn intrek neemt, maar een sokkel, een voetstuk, waarbóven hij gedacht werd. Hij de onzichtbare, bovenaardse God.

Die gouden kalveren waren geen beelden van God, maar zijn zetel, een voetenbank, een troon. Alleen dat is veel te veel nuance als je die ketterse godsdienst daar in het Noorden, Betel en Dan, wilt bestrijden. De Bijbel – en dus ook de Koran – wist daar wel raad mee en dus werden die beelden verguisd als inderdaad béélden van een stiervormige god. Een god die samenviel met tomeloze kracht en potentie, vruchtbaarheid, een god die zwaar te duchten is, die je op de horens neemt, een en al oerkracht.

Bonhoeffer zegt ergens: 'Wij moeten met God leven als zonder God.' Daarmee bedoelde hij dat wij elke eigen invulling moeten laten varen, omdat al onze eigen invullingen voortkomen uit onze eigen behoeften.

Wij wensen ons een god die onze problemen oplost, wij creëren ons een god die wat wij niet kunnen verklaren: de zwarte gaten in ons denken, opvult, geruststellend opvult, wij zoeken een god die wij maar al te goed kunnen gebruiken om ons te troosten in ons verdriet, om ons te helpen onze idealen na te jagen en om veilig te stellen wat wij voor geen goud zouden willen verliezen, onze laatste zekerheden.

Zo'n god, die dus geheel in beslag is genomen door onszelf, die ten dienste staat van onze belangen, met als sluitstuk dat op een Nederlands 2 eurostuk als randschrift staat: 'God zij met ons', die bedenkelijke god figureert in een godsdienst waarin het er niet om te doen is God te kennen en hem lief te hebben en te dienen, maar hem bij te zetten in ons wereldbeeld, waar hij – zo hebben wij hem naar ons beeld geschapen – naadloos in past.

Want hoe ziet deze god er uit? Hij lijkt als twee druppels water op onze problemen, waaruit hij ons immers moet helpen. Hij vertoont een grote gelijkenis met de gaten in ons denken, die hij immers voor ons moet opvullen. Hij is niet te onderscheiden van onze zekerheden, die hij immers veilig moet stellen.

Bonhoeffer zegt: 'Wij moeten met God leven als zonder God.' Dat betekent: wij moeten de troon die wij in het midden van onze ziel hebben opgesteld en waar wij doorgaans zelf op zitten of anders onze sublimaties, verlaten, daar afstand van doen. Niet alleen dat wij van die troon af moeten, maar ook dat die troon daar in het midden van onze ziel wég moet, omdat daar anders toch weer op gaat zitten wat wíj tot koning kronen. Ik zinspeel hier natuurlijk op regels van Willem Kloos: 'Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten en zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon', die door Coos Neetebeem, een alias van drs. P., zijn aangevuld: 'maar verder ben ik helemaal gewoon met haaruitval en spijsverteringsklachten.' Zoveel zelfspot kunnen wij goed gebruiken.

'Wij moeten met God leven als zonder God.' Wat is dat dan: met God leven? Dat is dat je hem die jij nog niet in je broekzak hebt, zoekt, zoals hij jou zoekt. Dat is dat je bij alles wat je van hem meent te weten, uit betrouwbare bron: de bijbel en wat niet al, toch vooral benieuwd bent en blijft, ontvankelijk.

Wat is dat: met God leven? Dat het centrum van je leven open blijft staan, niet volgestouwd met wat jij allemaal wilt vasthouden, maar open, een open plek, een ontmoetingsruimte, zoals een stad pleinen nodig heeft, pleinen en parken; zoals de ziel een balzaal nodig heeft om als muurbloempje aan de kant te zitten en alle anderen dansen, tot ook jij ten dans gevraagd wordt; zoals de ziel dat schoongemaakte huis nodig heeft, met bezems gekeerd, gepoetst en opgeruimd om die ene weggerolde munt, in welke kier of naad gevallen en verloren, die ene weggerolde munt die jij bent, terug te vinden.

Nee, wees niet bang dat als het centrum van jouw leven open komt te staan: eerst een klein beetje, een beetje lucht, later een binnentuintje, uiteindelijk een plein, een park, een speeltuin. Wees niet bang dat als het centrum van jouw leven zich oningevuld verwijdt, jijzelf dan nergens bent. Want Hij zal er zijn.

Waar wij bang voor zijn is dat die openheid zich niet meer vult, dat die openheid leeg blijft, een koud en guur nihilisme, dat als wij onze schijnzekerheden opruimen, wij met lege handen komen te staan.

Daar vertelt Jezus een gelijkenis over: over verlies, een leegte die in je leven valt. Het begint met een herder die honderd schapen heeft en één raakt hij er kwijt. Dat is een verlies van een op de honderd, niet onoverkomelijk.

Dan is er een vrouw die heeft tien drachmen, haar bruidsschat, dat is haar vermogen, dat heeft zij in te brengen maar een raakt er zoek, dat is een verlies van een op de tien, dat is ernstig.

Dan monden deze gelijkenissen uit in een vader die twee zonen had en eentje loopt van hem weg en ziet hij misschien nooit meer terug. Dat is een verlies van een op de twee, de een of de ander. Die vader is nog maar een half mens.

Jezus vertelt deze gelijkenissen omdat hij weet heeft van een toenemend gemis, leegte! Die leegte waarin jij valt, die leegte die in jou valt, kan alomtegenwoordig worden, een gapend gat.

Gemis. In de gelijkenis: de herder zoekt, zoals geen enkele herder dat doet. Hij laat alle negenennegentig aan hun lot over in de woestijn, alsof er geen rovers zijn en geen wolven, hij neemt de risico's om die ene te zoeken, dat is onverstandig, buiten proportie. Iedere aardse herder zal eerst de kudde veilig naar de stal leiden, de deur vergrendelen en dan terugkeren en zoeken. Iedere aardse herder speelt op safe. Maar wat Jezus vertelt zijn gelijkenissen van meer dan aards geheimenis.

Gemis. Deze vrouw, zij keert haar huis met bezems, krabt in alle hoeken, kieren, naden en voegen om die ene munt te vinden. En de vader, hij blijft op de uitkijk staan. Het is hem onverdraaglijk dat zijn zoon voorgoed weg zou blijven.

Het evangelie weet van een toenemend gemis, lege plaatsen, het verlies dat je leed: verlies aan gezondheid, idealen die je kwijt bent geraakt of dat je het leven niet meer als betrouwbaar ervaart, je bent bedrogen uitgekomen. Je leven, de gaten vallen erin.

Jezus in zijn gelijkenissen vertelt van een heel bijzonder zoeken, het zoeken van de Messias en hoe wij op hem hopen omdat hij ons vinden zal waar wij ook verdwaald zijn en hoe wij ons ook schuil houden.

Het evangelie belooft je niet dat jij het vinden zult. Want ik weet niet waar jij naar op zoek bent, wat je daarbij nodig hebt, bij die zoektocht om het te vinden, en of dat erin zit.

Het evangelie belooft je dat jij gevonden wordt, dat je niet reddeloos verloren loopt. Het Messiaanse zoeken heeft het op jou gemunt. De Heer heeft het in zijn hartstochtelijk zoeken op jou voorzien. Hij is degene die jou ten dans noodt.

En wat ons wacht? Aan het einde van het evangelie vind je het lege graf, een open wond, een gapend gat. Aan het einde van het evangelie wordt een ruimte uiteengezet. Die ruimte is niet vol, die vult zich niet, die staat niet dichtgeplempt met waarheden en zekerheden. Die ontbreken je.

Die ruimte van het lege graf als een laatste perspectief, is ook niet leeg, althans niet nihilistisch leeg, het is geen vacuüm. De ruimte van het lege graf staat open, zo open als jouw leven staat voor alles wat je toevalt en invalt.

Wij moeten leren met God als zonder God. Wij moeten leren hopen, dat onze leegte een openheid wordt waarin wij hem ontmoeten aan wie is de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid.