RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Onze naaste is ieder mens, in het bijzonder die onze hulp nodig heeft." - Maarten Luther


De preek van zondag 30 april 2017

E-mailadres Afdrukken

GEDICHT BIJ HET KYRIEGEBED

In de Nijldelta

De jonge echtgenote huilde boven haar eten

in het hotel na een dag in de stad

waar zij de zieken zag, kruipend en liggend

de kinderen gedoemd te sterven van gebrek.

Zij en de man gingen naar hun kamer

waar men water gesprenkeld had tegen het stof

Ieder ging in zijn eigen bed, zonder veel te zeggen.

Zij viel in een diepe slaap. Hij lag wakker.

Buiten in het duister trok een enorm lawaai voorbij.

Gemurmel, gestamp, geroep, wagens, gezang.

In groot gebrek. Het hield maar niet op.

En hij viel in slaap, gekromd in een nee.

Een droom kwam op. Hij was op een zeereis.

In het grauwe water ontstond een beweging en een stem zei:

„Er bestaat iemand die goed is.

Er bestaat iemand die alles kan aanzien zonder te haten."

Thomas Tranströmer, Uit: de herinneringen zien mij

OVERDENKING BIJ JOH 21 VS 1 T/M 19

Oorspronkelijk hield het evangelie van Johannes op bij hoofdstuk 20. Maar al heel vroeg heeft men dit extra hoofdstuk toegevoegd, het ontbreekt in geen enkel handschrift. Men was dus van mening dat er nog iets bij moest. Dit 21e hoofdstuk vormt een verbindende schakel tussen het evangelie, het verhaal van Jezus, en de geschiedenis van de eerste gemeente. Het vertelt hoe nadat Jezus zich aan de leerlingen heeft vertoond in een gesloten zaal – dat verhaal hebben wij vorige week in de Oosterkerk gelezen en u hier mogelijk ook - ze hem nog eens opnieuw ontmoeten, bij de open zee. En die open zee brengt hen en ons terug naar het begin, toen Jezus voor de eerste keer in hun leven verscheen. Hier verschijnt hij opnieuw, dezelfde maar ook heel anders.

Bij Johannes is het roepingsverhaal een Paasverhaal. Dat begint met de nacht, de lege netten, de vergeefsheid, en het niets dat na de dood van Jezus de hele werkelijkheid lijkt te bepalen.

Het is vanuit die nacht, in de vroege ochtend als het licht weer terugkomt dat er een stem klinkt die van ver komt en ook dichtbij is, een stem die een vraag stelt. Net als bij de wonderbare spijziging vindt er een ontmoeting plaats rond de tekenen van brood en vis.

Zeven leerlingen zijn hier in totaal bijeen, het getal der volheid en ze vangen 153 vissen, -volgens commentatoren uit die dagen het getal van alle toen bekende vissoorten dat staat voor alle volkeren. Deze zeven begrijpen zonder meer wat hen in het brood en de vis wordt aangereikt, dat het Jezus zelf is die zich na zijn dood aan hen uitdeelt, maar er is een soort schroom om dit openlijk uit te spreken. Niemand van de leerlingen waagde het hem de vraag te stellen: wie bent u? Want ze wisten dat het de Heer was.

Ze wisten het. Het mooie van dit verhaal is dat het iets aanduidt dat wordt geweten en van binnenuit beseft, maar dat zo teer is dat het bijna niet met woorden kan worden aangeraakt. Het beschrijft alleen hoe mensen in een kring bij het meer zitten en samen eten. Dat is alles wat er gebeurt, maar daarin gebeurt ook alles wat er gebeuren moet: herstel van gemeenschap, verzoening, leven dat teruggevonden wordt, vertrouwen dat weer mogelijk wordt.

Zonder woorden gebeurt dat, in alleen maar een gebaar, een handeling: het zitten in een kring en het delen van brood en vis. Dat is wat een sacrament is: een gebaar dat voor zichzelf spreekt en dat door iedere aanwezige in stilte en zonder uitleg wordt verstaan. Zo zitten deze zeven daar met Jezus in hun midden. Niemand zegt iets maar iedereen denkt hetzelfde. Want ze wisten dat het de Heer was.

Dat zijn de meest kostbare momenten en ieder van ons zal ze hebben meegemaakt, momenten waarop woorden niet meer nodig zijn, waarop het genoeg is om bij elkaar te zitten en samen iets te weten dat boven je uitgaat, dat er iets sterks is in je midden dat niet hoeft te worden benoemd.

Na het eten, na het delen van brood en vis, daar in die kring, worden er dan toch woorden gesproken, wordt er toch iets benoemd van wat er net is gebeurd.

Het zijn niet de leerlingen die het woord nemen, het is Jezus, hij neemt het initiatief tot spreken. Eén van deze zeven spreekt hij persoonlijk aan en in deze ene spreekt hij hen alle zeven aan.

Dat is mij nu pas voor het eerst echt duidelijk geworden, dat het niet alleen gaat om een confrontatie tussen Petrus en Jezus, maar dat alle anderen, die immers ook getuigen zijn van dit gesprek, hier persoonlijk in betrokken zijn. Dat door zich tot Petrus te richten Jezus zich richt tot hen allemaal. Toen ik dit jaar de Mattheuspassion hoorde viel mij voor het eerst een zinnetje op waar ik lang overheen heb gelezen. Het staat in Mattheüs 26 vs 35 waar staat dat Petrus reageert op Jezus' voorspelling dat hij hem drie maal zal verloochenen met de woorden Al moest ik met u sterven, in geen geval zal ik u verloochenen. Het vers eindigt met de woorden: In diezelfde geest spraken ook al de leerlingen.

Al de leerlingen. Het is niet eerlijk om alleen Petrus de schuld te geven, omdat hij nu eenmaal altijd net iets sneller is en net iets harder roept dan de anderen. Het gaat hier om een schuld waarin zij allemaal delen en die hen neerdrukt. Het is de schuld van allen die zonder woorden wordt aangeraakt in het brood en de vis die Jezus rond laat gaan. Het is de schuld van allen die wordt aangesproken wanneer die vraag aan Petrus wordt gesteld.

Het is veelzeggend dat Jezus deze vraag pas stelt nadat brood en vis al zijn uitgereikt. In dat gebaar heeft hij zijn vrienden zonder woorden al datgene geschonken wat hier met woorden nog eens wordt herhaald.

Simon, zoon van Johannes, heb jij mij lief? Is er een indringender vraag denkbaar? Bijzonder is dat het woord voor liefhebben dat Jezus telkens gebruikt in de vraag een ander en sterker woord is dan het woord voor liefhebben dat Petrus steeds gebruikt in zijn antwoord. In de vertaling van Marie van der Zeijden komt dat duidelijk uit: de ene keer staat er liefhebben, de andere keer houden van. Pas als de vraag voor de derde keer gesteld wordt gebruiken Jezus en Petrus één en hetzelfde woord. Petrus is niet meer zo zelfverzekerd, hij weet het allemaal niet meer, maar in zijn verwarring weet hij één ding wel: dat hij zijn liefde niet opnieuw wil verloochenen. Hij vindt daar een bijzondere manier voor. Hij begint zijn antwoord niet met ik, maar met u. Tot drie keer toe zegt hij: U weet.

Het verraad wordt hier met geen woord genoemd, er is geen enkele verwijzing naar de haan of naar de belofte van nooit in de steek laten, noch door Jezus, noch door Petrus. Maar in de woorden U weet erkent Petrus wat Jezus wist voordat hij het zelf heeft geweten: dat hij zijn belofte niet trouw zou blijven. U weet alles zegt hij tenslotte. U weet van mijn zwakheid én van mijn verlangen. Dat U alles weet en mij toch aan blijft zien, dat is de grond waarop ik sta. Dat alleen maakt dat mijn liefde sterker is dan mijn ongelooflijke schaamte en ik toch wil zeggen wat ik niet meer durf te zeggen maar waarvan ik weet dat U weet dat het waar is: dat ik u liefheb.

Er ligt heel veel in dat ene woordje alles . Alles komt erin bij elkaar: zwakheid én kracht, lafheid én moed, verloochening én belijdenis. Dat zijn liefde tekort schoot betekent niet dat Petrus nu moet zeggen: ik heb u dus niet echt lief gehad, mijn liefde is niets waard gebleken -al zou dat gemakkelijker en duidelijker zijn geweest.

Dat is een vorm van zwart-wit te denken, waar wij heel goed in zijn, over onszelf en over anderen: of je bent te vertrouwen of je bent dat niet. Of we zijn goed met elkaar of we zijn slecht met elkaar. Het is van tweeën één. Tegenstrijdige emoties vinden we veel te ingewikkeld.

Petrus heeft nu begrepen waar dit zwart-witdenken toe leidt. In die verschikkelijke nacht heeft hij en zichzelf en Jezus leren kennen, en dat laatste maakt dat hij nu tegen Jezus kan zeggen: U weet alles. U weet dat ik U liefheb.

Er is ongelooflijk veel moed voor nodig om je eigen falen onder ogen te zien en daarom ergens mee te stoppen. Maar er is misschien nog veel meer moed voor nodig om je eigen falen onder ogen te zien en dat dan toch weer op te pakken.

Moed, -of misschien is een beter woord vertrouwen. Vertrouwen of geloof in een weten dat alles omvat en alles bij elkaar brengt, onze goede en sterke en onze slechte en zwakke kanten, een dieper weten waarvoor we niets verborgen hoeven te houden. Een goedheid die alles kan aanzien zonder te haten, een eerlijkheid die tegelijkertijd barmhartigheid is, die ons aanziet en op weg stuurt, naar anderen, -die zijn zoals wij.