RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Alles wat gebeurt in de wereld, wordt gedaan door hoop." - Maarten Luther


Advent vieren

E-mailadres Afdrukken

Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heer Jezus Christus.

De dagen worden korter, het jaar gaat onherroepelijk ten einde. Zoals vorig jaar.

Zoals 1000 jaar geleden al. Volgend jaar ook weer. En misschien over 10.000 jaar nog. Altijd.

En toch vieren we hier begin zonder einde: ADVENT. Wetend én accepterend, dat er een einde komt! Is dat wel logisch?

Of een andere vraag naar de logica in het bestaan: is het wel verstandig om mijn bestaan dag in dag uit te oriënteren aan een oplopend getal dat aflopende tijd registreert – 2009 b.v. –

zonder aan te geven, hoe lang dat nog door gaat,

wetend dat het een vrij willekeurig getal is, dat helemaal niets zegt over de tijd die ik ter beschikking heb, of wie dan ook in de wereld

en dat niets zegt over de toekomst, alleen verleden tijd automatisch constateert.

Is het wel zinvol, zich dááraan te oriënteren? 

Het ritme van het liturgisch jaar reikt een ander tijdmodel aan.

Dat begint als het kalenderjaar eindigt, net daarvoor – typisch bijbels – en verwijst naar de toekomst op een tijdstip, dat het nog net niet te laat is om er iets aan te doen.

Opdat je niet verrast wordt,

opdat de realiteit je niet treft als een bliksem uit heldere hemel.

Advent vieren is ‘uit de tijd’ stappen – voor even – vanwege het overzicht.

Om toekomst te oefenen.

Wie mens wil kunnen blijven in de stroom van de tijd, wie zijn/haar nieuwsgierigheid en verlangen naar toekomst niet uit wil laten drogen in zich zelf, ook wie plannen wil maken die niet al achterhaald zijn vóór ze naar de drukker gaan … die blijft aangewezen op oriëntering aan wat gaat komen.

Liturgie beschrijft deze oefening van toekomst b.v. door te zeggen: “HIJ KOMT” – “advenit”. Hij/Zij, die geen naam heeft,

die zich aan mensen definitief te kennen geeft als de Tegenwoordige: “Ik ben die Ik ben” – voor de achtergrond van toekomst: “Ik zal er zijn” –

dié brengt mensen op een ander spoor.

Straks zullen we het zingen - als oefening van toekomst:

Reeds daagt het in het oosten,

het licht schijnt overal:

Hij komt de volken troosten,

die eeuwig heersen zal.

Zoiets maakt nieuwsgierig, wekt verwachting.

Dit is iets volstrekt anders dan zich te oriënteren aan het verleden.

Als we dat zingen – en ons daarbij zelf serieus blijven nemen – dan moet ook opnieuw de vraag gesteld: wie ben ik, wie zijn wij – met alle vezels van het bestaan gebonden aan deze ontoegankelijke dimensie: tijd -? Met zeer ambivalente ervaringen!

Aan de ene kant ongelofelijke kansen om invloed te nemen op wat er gebeurt –

aan de andere kant de ervaring, machteloos uitgeleverd te zijn:

aan mijn genen,

aan de wil van anderen,

aan maatschappelijke en politieke structuren en noodzakelijkheden,

aan honderdduizend toevalligheden …

Een voorbeeld: Overleg, gesprekken, vergaderingen t/m om de bestmogelijke kandidaat te vinden voor de gemeente na Chica – en tegelijk weten: ach we zullen hem of haar toch ontvangen als een geschenk dat we niet kennen, en e zullen leren met elkaar de toekomst in te gaan …

Hoe ga je in de spanning tussen vrijheid en gebondenheid om met jezelf en met anderen?

De tekst die we gelezen hebben uit het profetenboek Zacharja schetst beelden die we kennen vanuit televisie: een stad die ingenomen wordt door vijanden, huizen geplunderd, vrouwen verkracht, de mannen om het leven gebracht of weggevoerd, vluchtende mensen …

en een beeld dat meer verwijst naar een natuurramp: de aard beeft, de dag verliest zijn licht, wordt tot nacht.

Wat er aan het einde overblijft is niet meer dan een schamele rest. Nauwelijks levensvatbaar.

Ervaringen van catastrofen, nood, ellende, angst, dood, einde. Ervaringen zo oud als de mensheid zelf, misschien ook wel eigen ervaringen. Ervaringen die vast zitten in de tijd, in de geschiedenis – ervaringen uit het verleden.

Maar de auteur van dat boek doet er iets merkwaardigs mee.

Hij haalt geschiedenis uit haar statische, bepalende functie weg en plaatst die in een ander kader van begrijpen. Hij maakt ze bij wijze van spreken doorzichtig en zoekt naar oriëntering daar achter.

Hij laat zich niet focussen op slechte ervaringen die gefixeerd zijn in het verleden.

Natuurlijk weet die ook wel dat hij het verleden vaak pijn bewust is en niet ongedaan gemaakt kan worden.

Maar hij plaatst die ervaringen in het kader van zijn nieuwsgierigheid, van zijn verwachting, van zijn verlangen en hopen.

Hij doet dus iets, wat mensen altijd doen, die zich niet neer willen leggen bij de zg. ‘realiteit’ van het bestaan. Nood, ellende, onderdrukking, moord, oorlog, verschrikkelijke ongelukken … ?

“Das kann doch nicht alles gewesen sein …” zong Wolf Biermann begin de jaren tachtig (vorige eeuw) in Keulen over zijn leven in de DDR – en mocht niet meer terug.

Wij zaten ademloos luisterend thuis, gekluisterd aan de tv, namen het stiekem op band op en beluisterden het in de jeugdgroep in de kelder van de pastorie. Ik zal die gesprekken nooit vergeten, rond dat vonkje hoop, dat we ooit nog iets anders zouden beleven dan deze zg. “real existierende Sozialismus”. “Das kann doch nicht alles gewesen sein”.

Slechte ervaringen doorzichtig maken – en is het maar om samen over te praten – en zoeken naar goede verwachtingen – dat opent toekomst. Ik weet dat. Dus ik geloof het.

“Een dag komt”, schrijft Zacharja, “dat de Heer zal ingrijpen”.

Zo formuleert hij, wat hij denkt en weet en gelooft: het hele bestaan is zinloos als alles blijft zoals het altijd was; als macht, geweld, domheid, ignorantie, teleurstellingen, terreur, aardbevingen, modderlawinen, brand, ziekte … telkens weer verwoestende sporen van leed achterlaten.

Wat zou de moeite waard zijn aan het leven, als het verleden zich telkens weer herhaalt? Zoals tienduizend jaar geleden over duizend jaar nog?

Nee, zegt Zacharja, nee! : “En dag komt”, dat de Heer zal ingrijpen”. Het kan niet anders.

Hoe komt die daarbij zoiets te zeggen? Ervaring? Nee!

Iemand moet ooit een zaadkorreltje van verlangen in hem gelegd hebben: er zal een wereld zijn, waarin mensen in vrede en gerechtigheid leven, in liefde, in harmonie met de natuur en met elkaar en misschien zelfs met het verleden. De dag zal komen dat de wereld zo wordt als ze bedoeld was, toen de Schepper zijn werk bekeek en zei: “Tov is dat”!

Wie heeft dit verlangen, deze hoop in Zacharja gelegd – en in jou en in mij?

Iemand, die vanuit dit verlangen leeft. Iemand die ooit ervaring van vrede, van liefde, van gerechtigheid van vertrouwen zelf opgedaan heeft, heel concreet.

Misschien op kleine schaal, misschien gewoon op een gelukkig moment, misschien … wie weet – maar nooit is dat zaadkorreltje van hoop in je gevallen zonder een geloofwaardig mens, die het je heeft laten zien, laten meemaken, laten weten.

“Tegen het vallen van de avond zal er weer licht zijn … in Jeruzalem zal zuiver water ontspringen … zowel in de zomer als in de winter” (v.8) Dat kan niet?

Het kan. U weet het. Ik weet het.

Een keer hield de achterbuurman, die werkte voor de Stasi, ‘s nachts van buiten een microfoon tegen de muur van de kelder van de pastorie. We hadden gasten, kunstenaars die op een gezamenlijke avond van katholieken protestanten in Themar een avond opgetreden waren in de grootste zaal van het stadje.

Ik had het aangemeld bij de politie, zoals het hoorde. Maar die verbood het. Omdat er geen reden was om het te verbieden, behalve chicane, ignoreerden wij het verbod. Het werd een prachtig feest. We waren wel gespannen. En attent natuurlijk - en ik betrapte de achterbuurman bij deze en nog een andere zijn onwettige bezigheid.

Ik sprak hem aan, midden in de nacht, naast de kerk.

We kwamen snel tot de afspraak: wat die nacht betreft, zullen we allebei heel vergeetachtig zijn - en zullen daarbij allebei zeker baat hebben. We beloofden aan elkaar te zwijgen.

En zo geschiedde. Ik kreeg geen straf en hij kreeg geen probleem met het onbehoorlijk gedrag van een staatsbeambte, ‘s nachts tegen de muur van de kerkte te plassen.

Er ontstond midden in de spanning plotseling zoiets als een gevoel van zekerheid.

Zo klein, zo breekbaar zijn soms die korreltjes van hoop die toekomst scheppen, maar ze zijn reëel en ze zijn concreet. Die tijd van angst voor heel veel mensen is voorbij gegaan, wonder boven wonder.

“Tegen het vallen van de avond zal er weer licht zijn …”, schrijft de profeet.

Wij weten dat dit waar is, u en ik.

Als we maar niet vergeten het aan elkaar te vertellen.

Leven vanuit je goede verwachtingen.

De Evangelist vertelt in zijn geloofstraditie een verhaal, dat de toekomst haast letterlijk een geschenk is uit de hemel: de boodschap aan Maria: jij zult een kind baren dat de wereld in beweging zal brengen en door mensen erkend zal worden als Messias.

Zo werd Maria tot oerbeeld van de mens die open staat voor een ongekende, ongedachte, onverwachte, eeuwen gehoopte toekomst – tot op de dag van vandaag.

Als een geschenk uit de hemel. Want een bode van de Allerhoogste moet er aan te pas komen om te bevestigen: het is waar, God ziet om naar zijn mensen en Hij zal bij hen zijn.

 En toch valt toekomst niet uit de hemel.

Die moet gezaaid, die moet ontvangen, er moet aan gewerkt, en die moet telkens weer gehoopt worden.

Wij zijn de eersten niet en niet de laatsten die Advent vieren als begin zonder einde.

HIJ komt. Advent.

De vrede van God die al ons denken te boven gaat,

beware onze harten en zinnen in Christus Jezus.

 

Voorganger: ds. H. Günther, Deventer