RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"God is niet een God van nijd, maar van genade" - Maarten Luther


Vergeving

E-mailadres Afdrukken

Een man kwam door het plegen van een misdaad in de gevangenis. Zijn vrouw leed er verschrikkelijk onder. Ze schaamde zich zo dat ze haast niet meer naar buiten durfde te komen. De man schreef vanuit zijn cel regelmatig naar zijn vrouw. maar zij kon de moed niet opbrengen om ook maar één brief te beantwoorden.

Uitleg en verkondiging op 22 november 2009, Eeuwigheidszondag

Gelezen is: Psalm 103 (vert. Huub Oosterhuis) en Matteüs 18: 21-35

Zó groot waren haar verdriet en verbittering. Maar de man hield vol: iedere week schreef hij zijn vrouw, zei dat het hem zo speet en vroeg om vergeving. Na drie jaar brak de tijd aan, dat de man de gevangenis mocht verlaten en hij dacht: “Zal mijn vrouw mij wel ontvangen? Zal ze me vergeven? Wat zou een zoen van haar me toch gelukkig maken!”

Toen schreef hij zijn laatste brief:

“Ik mag de gevangenis uit, ik weet dat ik je veel verdriet gedaan heb en niet verdien dat jij voor mij de deur weer open zet. Als ik toch naar huis mag komen, weer bij jou, hang dan een geel lint in de boom vóór de bushalte. Als er geen lint in hangt rij ik wel verder.” Toen de man die morgen op de bus stapte, wist hij niet of er wel een geel lint zou hangen. Hij wist ook niet precies meer waar de bushalte was. En zo kwam het, dat hij de chauffeur zijn verhaal vertelde. Alle medereizigers luisterden vol belangstelling mee. Hoe dichter men het dorp naderde, hoe groter de spanning werd. De man durfde bij de laatste bocht niet meer te kijken en sloeg zijn handen voor het gezicht. Maar de anderen keken des te beter. Toen de laatste bocht voorbij was… klonk er een luid gejuich. Er hing niet één lint, maar de hele boom hing vol met gele linten, een overvloed van verzoening!

Een mooi verhaal. Die vrouw kon het tenslotte gelukkig opbrengen haar man royaal en van harte te vergeven. Gelukkig voor haar man, maar ook gelukkig voor haar zelf! Want dat is het moeilijke en nare van wrok en boosheid: het vreet ook aan jezelf, aan je eigen ziel, het wordt ook zwart bij jezelf van binnen, hoe zwaar de ander ook gestraft wordt, hoeveel schadevergoeding je ook ontvangt, zolang je boos blijft, zolang je wrok blijft koesteren, de ander blijft haten, zólang houd je ook jezelf gevangen in de ketenen van het kwaad…

Er was eens een koning. En die koning had een ambtenaar, in wie hij veel vertrouwen had. Zoveel vertrouwen dat hij hem het beheer toevertrouwd had van een enorm kapitaal - zo’n groot bedrag dat je dat je leven lang niet bij elkaar kon verdienen. Op een dag worden de boeken gecontroleerd, de ambtenaar moet verantwoording afleggen. Maar al het geld is verdwenen, niemand weet wat ermee gebeurd was en wie het gedaan heeft. Wel wie er verantwoordelijk is. En daar staat dan die ambtenaar, met lege handen, bang, wanhopig. Hij kan dat nooit en te nimmer vergoeden. Dit betekent zijn ondergang. In onze tijd: faillissement, gevangenisstraf. Toen: de slavenmarkt. In zijn wanhoop doet hij onmogelijke voorstellen: hij zal opnieuw beginnen, hij zal zich een ongeluk werken, hij zal er álles aan doen om het bedrag terug te betalen. Onmogelijk natuurlijk…

 

Wat ook onmogelijk lijkt, dat is dat de koning medelijden krijgt met dat hoopje ellende voor hem. Maar het gebeurt. De koning weet dat die man nog geen fractie van z’n schuld kan afbetalen, al zou hij de rest van zijn leven twee banen hebben. Er zit maar één ding op: als hij niet wil dat deze man nu als slaaf verder moet leven, dan moet hij, de koning, de schade zélf lijden. En ineens heeft hij zijn besluit genomen: alles scheld ik je kwijt. Je kunt gaan, je bent vrij. Onvoorstelbaar, dat iemand dát doet. De frauduleuze ambtenaar kan het haast niet geloven. De omgeving is verbijsterd.

Er was eens een koning. Vergeet het maar. Zo’n koning, of president, of directeur, is er nooit geweest en zal er ook nooit komen. Geen mens doet zoiets. Een heel enkele keer maak je iets mee wat er een beetje op lijkt, maar dat is maar zelden. Schuld is schuld en recht is recht. Zo is het. Toch is ons verhaal geen sprookje, het is een gelijkenis van Jezus. En die gelijkenissen gaan over de werkelijkheid van God, over zijn Koninkrijk. Er was eens een koning: dat betekent in het evangelie: er is een God die een mens zijn hele leven teruggeeft.

Vergeven noemen we dat. Vergeven is meer dan: laat maar zitten, het is niet belangrijk. Want als je dat zegt neem je de ander in feite niet serieus. Het is meer dan: als je alles goed gemaakt hebt, dán zal ik niet meer boos zijn. Vergeven is: ik aanvaard je, ik begin opnieuw met je, niet óndanks wat er gebeurd is maar mét alles wat er gebeurde. Wie vergeeft die levert iets in van zichzelf: zijn recht, zijn gelijk, zijn eer.

Zo is God, zegt Jezus tegen mensen die zich door iedereen afgewezen en veroordeeld voelen. En over hun hoofd heen zegt Hij het tegen alle mensen die vinden dat ze aan de goede kant staan en daaraan het recht ontlenen om een ander te beoordelen of te veroordelen.

Er was eens een Koning. En er was eens een mens. Een mens die niet beseft dat zijn leven een geschenk van God is en die ongenadig omgaat met anderen. Herkenbaar, o zo herkenbaar, dat tweede deel van de gelijkenis, waar we vandaag niet verder op in gaan.

 

God is genadig. Zegt ons dat nog wat? Of is onze grote vraag niet zozeer of we een genádig God hebben, maar óf er wel een God is en zo ja, waarom dan alles is zoals het is, zo gebroken en schrijnend oneerlijk. Niet: hoe kan ik bestaan voor Gods aangezicht? Maar: kan Gód wel bestaan voor mijn aangezicht… Niet zelden keren mensen zich van God af omdat ze Hem kwalijk nemen dat wij vaak een puinhoop van de wereld maken.

Of we weten wél van een God van liefde en genade, maar vertalen dat zo, alsof het er niet zo toe doet hoe we leven; want God is immers een en al liefde?

Dat wij door onze manier van leven schuldig kunnen staan, niet alleen tegenover mensen, maar ook tegenover God, daar willen we eigenlijk niet van weten. Het begrip schuld besteden we uit aan de rechtsspraak en het woord zonde, dat hoort bij vroeger, dat hebben we min of meer afgeschaft. Maar zijn we daarmee ook af van de vragen rond schuld en vergeving ?

Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij….dat bidden we misschien gedachteloos. Vergeven wij mensen die bij ons in de schuld staan, kunnen we dat wel?

Ja, in kleine dingen kunnen we dat wel. Maar als jou iets heel ergs wordt aangedaan, dat je tot in het diepst van je ziel kwetst? Of als degene die het je aandoet geen enkele spijt lijkt te hebben, hoe zit het dan met vergeving? En 70x70 maal, oftewel oneindig veel, dat kan toch niemand opbrengen? Ik denk dat je nooit tegen elkaar mag zeggen dat het móet, vergeven, ook niet op grond van bijbelwoorden.

Je kunt proberen om te aanvaarden dat Gods genade er niet alleen voor jou is, maar ook voor die ander met wie je zoveel moeite hebt. Zo kun je de vergeving die jij niet – of nog niet – kunt geven, in Gods hand leggen. Of, om een ander beeld te gebruiken: je kunt het in zijn licht zetten. Als je je openstelt voor God, dan is er iets van Christus vlak bij je, iets van zijn geheim waarvan we straks mogen zingen: Christus o lam Gods, die der wereld zonden draagt, erbarm u over ons, geef ons uw vrede…

Vergeving – nu iets over de andere kant.

Als het vaak zo moeilijk blijkt te zijn om een ander écht te vergeven, hoe is het dan als we zelf in de schuld staan? Aan het begin van de viering hebben we gebeden: Heer, vergeef ons wat we verkeerd gedaan hebben en laat ons weer in vrede leven: zo bekend en vertrouwd, dit kleine gebed, dat het vaak al voorbij is voor je erbij stilstaat.

Als jij een ander iets misdaan hebt, wat doe je dan? Misschien zeg je dat je het niet zo moeilijk vindt om op de ander af te stappen en te zeggen dat het je spijt. Maar doe je dat ook? Of laat je uit gemakzucht , trots, of angst de dingen maar zoals ze zijn? Ach, ze snapt toch wel hoe ik het bedoelde….laat maar. Maar wie weet hoe ze er nog mee zit!

 

En wanneer hebben we niks gezegd als we dat wél hadden moeten doen, wanneer iemand onrecht werd aangedaan, of gezwegen waar iemand snakte naar een woord, een gebaar, een teken van nabijheid? Wanneer hebben we een ander gewogen en te licht bevonden? O, niets gezegd, maar wel in gedachten veroordeeld, hard en liefdeloos? Wat lijken we soms op die man uit de gelijkenis van Jezus…..

Maar ook deze zaken mogen we in het licht van God zetten. Want het is ons leven en God kent het. Zijn licht valt er doorheen. Dat is zijn genade, zijn vergeving. Als we dat geloven, kan het zoveel ruimte en lucht geven, dat we op een andere manier, opener, bewuster, met anderen leren omgaan.

Vandaag gedenken we mensen die we moesten afstaan aan de dood. Bij alle herinneringen die we hebben spelen misschien ook vragen die met vergeving te maken hebben. Het was niet altijd mogelijk om alles af te ronden en uit te praten. En je kunt daar wel eens heel erg mee zitten, met wat je niet meer kunt zeggen, met vragen waarop geen antwoord meer komt.

Maar, degenen die wij moesten loslaten zijn in Gods licht, dat mogen we geloven – al gaat het hóe ons voorstellingsvermogen te boven. Maar ik zie toch iets voor me, als ik probeer er woorden voor te vinden. Dan zie ik hoe alle kleuren van hun leven nu bij God gekomen zijn, alle kleuren van hun levenservaringen: de lichte en warme tinten én de donkere plekken en strepen. God heeft die opgenomen in zijn grote genade. Hun voltooide leven , daar schijnt Gods licht nu doorheen.

Het is maar een beeld, ik weet het, maar het kan kracht geven, dat beeld, aan degenen die verder moeten leven met hun herinneringen.

Vergeving, is dat mogelijk? We kunnen het er soms knap moeilijk mee hebben. Maar we hebben een God die we de Barmhartige mogen noemen. Hij zet ons in het licht van zijn genade en Hij blijft hopen op ons antwoord. Zo is Hij. Amen